vrijdag 15 januari 2010

Canto III

Jan, Piet, Joris en Corneel die hebben baarden, die hebben…”
gespreidt in een bed gelegen, Jan en Piet
klimmen angstig de ramen uit als de engel nadert
want normaal gedrag de enige norm om waarde te tonen
buiten en binnen de sponde, echt, dat huwelijk niet
niet vergeven voor Corrie, Jans of Pieternel
zegt de enige god deze wereld rijk: Jahweh, Allah, whatevuh…

de engel kan betere dagen herinneren
weken dat grenzen niet gesloten hoefden worden
maanden dat deus ex machina zijn habijt werd aangenomen
vriendelijke jaren toen ellende alleen inwendig zeurde
nadat Sodom en Gommorah bekeerd waren met zwavel en vuur
na de laatste devianten tot zoutpilaren verstarden
gunstige tijden verteerd tot een moesson van afwijken

weer is het verval alom en Eden’s prieel vergeten
weer leeft Sapiens in twijfel over óf Gods granieten woord
óf de eigen wijze, spreekt men van mirakels der techniek
(maar twijfelt men aan Gods Woord)
en de engel ziet hun roetzielen in twijfel branden
als ware het vagevuur waarin geworpen
de altijd zekere Aartsengelen, Cherubijnen en Tronen

en de engel roept hortend om houvast:
nu is het tijd om het enige echte woord te omhelzen
nu is het tijd alle ketters als insecten te verdelgen
nu is het tijd de perverten van hoge torens te gooien
tijd de onreine zwijnen af te slachten



Jan, Piet, Joris etc’ Oud-Nederlands liedje, wordt gespiegeld in de de vrouwelijke versie. Sodom & Gomorrah komt uit het Oude Testament. ‘Aartsengelen etc.’ heb ik eens over gelezen in Milton’s Paradise Lost. Er blijken dus heel wat verschillende engelen te zijn, niet allemaal erg ‘engelachtig’. Torens en homofilie, een vreemde relatie. Je zou bijna denken dat het iets Freudiaans is, om een toren te gebruiken om van afwijkende seksualiteit af te komen.


Dit is het derde deel van het langere gedicht The Black Angel’s Death Song, dat in Kaalslag in de Lage Landen werd geïntroduceerd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen