dinsdag 5 januari 2010

Spaarzaam behagen

In de goede oude tijd, toen oma nog leefde en opa op de bank zat, toen de enige kachel in huis in de woonkamer stond, een gaskachel gevormd als kitscherige openhaard met nephout brandend in volle glorie, toen Ron Brandsteder nog voor leuk doorging en Jos Brink voor intellectueel, toen ik overduidelijk veel jonger was en het jaar tweeduizend als sciencefiction klonk, logeerden mijn zusje en ik op een ijskoude kamer, met echte lakens en dekens, met een plat onvermurwbaar kussen, omarmd door een doodse donkere lucht zinderend van teentop tot koele kruin, vol genot over de kleine tijdreis naar een plek waar geen centrale verwarming werd toegelaten, een plek niet verder dan een autorit van twintig minuten. Dat was best een lange zin, maar daar gaat het niet om. Gerard Reve beschrijft een vrij hilarische vondst in een van zijn beroemde brievenboeken. Het klinkt hilarisch in onze oren door zijn ongerijmdheid. Een man die op brommer van Hilversum naar Amsterdam rijdt, een haas vindt in de vrieskou en besluit die mee te nemen. Stel je voor, een haas tussen Amsterdam en Hilversum (of, wat dat betreft, met de brommer naar Amsterdam, in plaats van met de auto)! Ik neem de trein niet zo vaak deze dagen, dus weet het niet zeker, maar huppen er nog steeds konijntjes langs het spoor bij Diemen? Mocht ik ooit een bevroren dier in deze kou aantreffen, zie ik het als onwaarschijnlijk om het lijk mee te nemen en klaar te maken voor voedsel. Zulke dingen doen we niet meer. In Reve’s tijd was het waarschijnlijk ook al niet vanzelfsprekend. Niettemin gebeurde het in de eeuwen ervoor vast vaak. Waarom ook niet? Die man op de brommer was natuurlijk Reve zelf, nog voor hij ‘van het’ liet vallen en volksschrijver alsook aardappeleter werde. Een rare en vermakelijke snijboon, dat zeker. Mijn huidige huis is uitgerust met een tonkachel die op gas brandt. Zo zie je dat niet vaak meer. Op Facebook klaagde laatst iemand dat toen de stroom uitviel de kachel het ook niet meer deed. Ik daarentegen maak me toch wel enige zorgen over de rekening wanneer gas schaarser zal worden. Zo heeft iedereen probleempjes, nietwaar? Ach, wat is het lekker in een koud huis wakker te worden, snel uit bed te piepen om de kachel aan te zetten en dan weer terug, soezend van verwachting.

In het Amerikaanse blad RAW uit 1989, met als ondertitel ‘Open wounds from the cutting edge of comix’ (comix in deze kwestie als het artistiek verantwoorde alternatief voor comics, waar over het algemeen enkel superhelden in figureren), stond een tekening op de voorlaatste pagina door Georganne Deen van een akelig hip type die net uit haar superslikke voiture stapt, de sleutels nog in de hand, de blik arrogant en blank, met als ondertitel ‘The single-minded pursuit of more’. Ik was negentien en het getoonde riep afkeer op. Wij waren niet arm, maar ook niet rijk. Ik wist niet wat men nu wel weet en misschien al jaren wist, ook toen al, dat meer krijgen nooit voldoening geeft, al krijg je meer, al koop je meer, het zal nooit voldoening geven. Het was een beeld uit een heel andere cultuur, een doordrenkt van het meer krijgen. De vrouw zag er niet alleen buitenaards uit door de tekenstijl, maar ook doordat het uitgedrukt me volkomen vreemd voorkwam. Ik was opgevoed met als ideaal genoeg te hebben aan wat ik had. Mijn ouders kochten nooit echt meer dan waar ze geld voor hadden. Niemand die ik kende deed dit. Zoveel mensen kende ik natuurlijk ook weer niet. Vast en zeker was het toen al normaler om te lenen en te kopen dan ik dacht. Ik vond toen, en vind dat nog steeds, dat alles dat ik nodig heb genoeg is. Meer dan dat zou toch indruisen tegen bepaalde biologische grenzen. In de boeken van Winnetoe waren het de cowboys die meer pakten dan nodig was. Altijd meer en meer van het land, van het goud, van de bizons, tot er geen bizons meer waren, het goud alleen met bloed was te ontginnen en land van de indiaan werd gestolen met verraad en bedrog. Schattig, toch, hoe die simpele verhaaltjes van Karl May zulk een vanzelfsprekende moraal in mij hebben doen ontstaan? Ik heb er nooit vragen bij hoeven te stellen. Het voelde, en eigenlijk nog steeds, als een goed uitgangspunt om volgens te leven. Natuurlijk heb ook ik tegenwoordig meer dan nodig is. Hoe kan het ook anders, in een wereld van overvloed als de onze?

Ik vroeg het meisje in de Etos naar neusdruppels en zij antwoordde daar een probleem mee te hebben, met de neusdruppels. Natuurlijk is en blijft het vreemd iemand te horen spreken alsof de zaak henzelf is en zijzelf de zaak zijn, maar goed, ik maak me daar ook wel eens schuldig aan. Waar het hier om gaat was het specifieke ‘probleem’. Niet dat ze geen druppels meer had, maar dat de keuze zo beperkt werd tot gewone druppels, een zoutoplossing en kinderdruppels, noopte haar tot deze formulering. Die fantastische spuitflesjes waardoor men rechtop zittend de neus kan verlichten waren op! Alleen het minste en laagste, de ouderwetse soort, die overigens in mijn tijd nog standaard in glas werden uitgevoerd en niet in plastic zoals tegenwoordig, was tot mijn beschikking! Nou ja, het is ook handig om te hebben, zo’n omhoogspuitflesje (hoe noemt men een object van gemakzuchtige liefde?), en ik had het vast gekocht als het beschikbaar was, al kost het dan weet ik veel iets van twee euro meer. Voor mijn opa en oma was het een kamillestoombad en een doorgesneden ui naast het bed, maar vroeger was niet alles beter, dat weten we ondertussen wel. Niettemin mag men zich ook afvragen of we nog werkelijk iets te klagen hebben. Is er een reden tot mopperen als we alles tot onze beschikking hebben, als we geld kunnen lenen als water, als we de verwarming de hele dag aan kunnen laten staan ook al zijn we niet thuis en we drie tot vijf keer per dag kunnen douchen omdat we dat lekker vinden? Werkelijk waar, zouden we alleen maar spaarzaam met het milieu moeten omgaan omdat we en passant ijsberen en dolfijnen uitroeien? Nog steeds is niemand tevreden, nog steeds weegt het persoonlijke ongeluk zwaarder dan het algemene gewin. Iemand die ooit eens kijkt naar ‘How it’s made’ op Discovery Channel WEET hoeveel tijd en energie gaat zitten in het maken van zelfs het simpelste als plastic wegwerpborden. Weet men eigenlijk nog wel, en met ‘men’ probeer ik vooral generatiegenoten en jongeren aan te spreken, hoe rijk deze wereld van ons is? Nu men nauwelijks nog boeken leest, zeker niet die van vroeger die eens voor de klassieken doorgingen, en nu men geschiedenis voornamelijk ziet als iets voor sukkels, nu men met genoegen kan zeggen dat het verleden hen niets interesseert, want dat gebeurde allemaal voor hun tijd, nu men de media laat vertellen hoe de wereld in elkaar zit en films over slechtere tijden voor vermaak verslijt, weet men eigenlijk nog in welke overdaad wij leven? Zou het iets uitmaken voor ons, voor hen, voor hen aan de andere kant van de wereld in dat verdoemde werelddeel Afrika, of wij met minder genoegen nemen? Is dit een blog die gaat over de schuld die we moeten voelen over wat wij in rijkdom en gemak van anderen afnemen, of gaat het om de verantwoordelijkheid die we zouden moeten voelen voor onze behaaglijke positie? Tevreden zijn met je zegeningen. Een individu kan er niets aan doen, dat spreekt voor zich. Ongelijkheid is een zaak van grotere machten. Toch ben ik liever als de indiaan die spaarzaam gebruik maakt van de wereld, dan als de cowboy die maar pakt en pakt omdat er nooit genoeg is en vergeet dat het land op een gegeven moment niet meer kan delen. Bovendien is het best leuk om spaarzaam te zijn.

2 opmerkingen:

  1. Persoonlijk heb ik 'meer' nodig. Iets om naar te streven, een droom als je het zo wilt noemen.
    Niet per se op materialistisch gebied, maar meer zíjn, meer weten, ervaren, een beter mens worden in het geheel. Juist dat dagelijks leerproces en ontwikkeling is wat het leven zo mooi maakt. In iedere dag schuilt een verrassing.
    Als ik tevreden zou zijn met alles wat ik had, alles wat ik was, zou ik het nut van mijn plek op de aarde niet meer inzien.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Deze reactie is verwijderd door de auteur.

    BeantwoordenVerwijderen