woensdag 30 juni 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 10 – Regnum Femina - 2004-05

Twee dingen die al sinds een hele tijd belangrijk zijn in mijn werk werden in dit hoofdstuk extra uitgelicht, kleur en wat sinds ‘De stad droomt in bloed’ vaak werd gebruikt: het model. Dit als vervolg op de ‘Women War revolution’. Een soort uitbeelding van hoe de wereld en de hemel eruit zien als de vrouwelijke cyborgs de mannen hebben uitgeroeid.

In het vorige hoofdstuk had ik al besloten meer ruimte te geven aan kleurvlakken en minder aan zwart en wit. Ik wilde meer naar dat expressionistische kleurgebruik van Der Blaue Reiter en dat soort stromingen. Twee van mijn vrienden had ik al eens zover gekregen dat ze meer kleur zouden gebruiken, maar ik had het idee daar zelf nog niet genoeg aan te hebben gedaan. Ook bij de Women War Revolution bleef het uiteindelijk bedeesd naar mijn gevoel. Het werd tijd om een positie te kiezen, om een standpunt in te nemen, om een punt te maken. Het werd tijd om extreem te worden. Dit gevoel had verschillende oorzaken. Een daarvan was dat de moderne schilderkunst en ik zo ver uit elkaar waren gedreven. Mijn sensibiliteit was helemaal gevormd door mijn liefde voor de modernen van voor de oorlog, met een kleine toevoeging van het Abstract Expressionisme, Cobra en Basquiat. Ik geloofde, en geloof overigens nog steeds, met heel mijn hart in het onafgemaakte universum, in de rafels van verf, in de magie van het stollen van de tijd in een verfstreek. Telkens als een schilder een toets op het doek zet zet deze tijd en beweging stil. De verf wordt vastgezet en zodoende ook de beweging van dat moment. Het meest vluchtige dat er is wordt zo vereeuwigd. Dit heeft als gevolg dat bijna alles dat ik schilder iets van dat vluchtige herbergt. Geen streven naar het goddelijke en monumentale. Ik geloofde, en geloof nog steeds, ook met heel mijn hart in dat spel tussen iets uitdrukken en iets verf laten. Waar is die overgang? Waar wordt verf een object dat buiten het doek gaat leven en waar blijft dat object een verfstreek? Iets anders dat me ook altijd boeide, en nog steeds boeit, is wat ik over Edvard Munch las, dat hij zijn doeken soms weken buiten liet staan om een vervallen effect te krijgen. Dat was iets dat ik nastreefde (en nastreef). Maar nu moest dat allemaal overboord! De moderne schilderkunst had (heeft) heel andere uitgangspunten. Kunstmatigheid, geconstrueerdheid, al dat soort dingen. Virtuositeit zonder specifiek ander doel dan het behagen van het oog. De moderne schilderkunst is decadent en dat zou ik ook worden. Zodoende besloot ik tot iets radicaals, in ieder geval voor mijn doen. Ik zou maar twee kleuren per schilderij toelaten. Ik zou het werken met diepte op kleurtinten terug laten vallen. Ik had altijd al liever diepte geschilderd met behulp van kleurverschillen dan met het zacht bijmengen van een non-kleur als zwart of wit. Veel groen doet rood naar voren komen. Veel rood doet groen wijken. Ongeveer zo, maar dan preciezer en ingewikkelder. Lees Johannes Itten er eens over na. Dat zou ik in de nieuwe schilderijen extreem doorvoeren. Ja, lijn mocht, maar niet specifiek voor een horizon of perspectief. Lijn als in design, om vormen te creëren. De diepte werd voornamelijk geschapen door het ‘shaped canvas’. Dikke doeken waar het schilderij enigszins omheen viel, wel geschilderd op het eigenlijke formaat van het doek, maar dan schuin erop alsof het was misgedrukt. Met behangerstape markeerde ik de rand en soms liet ik deze zitten, zo toch dat Munchiaanse verval houdende. Het werd een meditatie op minimalisering zoals ik nooit eerder had aangedurfd.

Inhoudelijk gezien werd het een ander spel. In dit verhaaltje hadden de vrouwen gewonnen en de hemel op aarde gebracht. De schilderijen moesten allerlei momenten en plekken van dit nieuwe paradijs uitdrukken. Ik maakte erg veel gebruik van de Cosmopolitan, de Elle en dat soort bladen, want de pose van elke supervrouw moest geënt worden op die vreemde bijna pijnlijke poses van supermodellen. Ik maakte al een tijdje gebruik van foto’s uit dat soort bladen om twee redenen: 1 was simpel, namelijk omdat ik die vrouwen best aantrekkelijk vond in de foto, maar wat meer speelde was de manier waarop vrouwen in mode en reclame worden afgebeeld. Graatmagere Lolita’s met bijna onooglijke kopjes die zich in de vreemdste en minst natuurlijke posities wringen om kleding en producten aan de man te brengen die de meeste vrouwen of onzeker over hun lichaam of over hun geest maken. Ik heb vaak genoeg de pose van zo’n model na moeten doen om erachter te komen hoe dat mens eigenlijk stond en geloof me, dat was zelden een pretje. Je moet wat voor de kunst overhebben. Gelukkig weten we daar tegenwoordig heel wat meer van dankzij een programma als America’s Next Topmodel. Op de achtergrond speelde mee dat het met de originele supergirl uit was, dat het met de nieuwe vriendin niet echt lekker liep en dat het financieel steeds moeilijker werd. Ik had een nieuw atelier in Noord, bij Rump in het gebouw, met een nieuwe partner, maar we lagen elkaar niet zo goed. Er was geen echte synergie, ook al kwamen we van dezelfde opleiding. Met Norm was het altijd 1 + 1 is 3, maar met deze nieuwe jongen bleef het 2. Gelukkig was het niet slechter, zullen we maar zeggen. Het nieuwe atelier beviel ook niet zo, ver weg in Noord-Amsterdam. Misschien kon ik wel van de pont genieten, maar eenmaal daar zat ik op een industrieterrein en alle charme van even wandelen in de stad om de gedachten op orde te brengen ontbrak.

Hier te zien: Vondelpark Victorie (de eerste onzekere stap op weg naar twee kleuren en naar het achterlaten van woorden), Regnum Femina (in verschillende versies), Ozymantra’s Engelen, Groen rules, Orange can be hard, De baadsters (last resort), Cold city, Drie koninginnen, Lisa’s droom, Bird’s eye view, Sunset, Vondelparkblues, schetsen (waarin te duidelijk te zien was dat ik meer dan ooit voorwerkte).

Meer afbeeldingen op ozymantra.nl.




















Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen