donderdag 15 juli 2010

Beeldverhaal Hoofdstuk 11 – The search continues… 2005-08

Ik weet niet meer precies in welke volgorde deze zaken gebeurden. Het ging uit met mijn vriendin waarmee ik het misschien iets te snel had aangemaakt, want het was toen nog maar net uit met degene ervoor, waarmee ik erg heftige ups en downs had. Ik moest een echte baan vinden omdat werk bij de Rode Hoed niet voldoende was. Ik had eigenlijk niet genoeg geld om het atelier te betalen, onder andere omdat mijn partner in de huur weg ging, maar misschien was dat laatste wel omdat ik mijn deel van de huur niet meer kon betalen. Ik ging werken als leraar techniek op het Gerrit van der Veen-college in Amsterdam-Zuid. Wacht, toen had ik die vriendin nog… Mijn herinneringen van deze tijd zijn vaag en gekleurd door een gevoel van verlies. Ik had geen atelier meer en nauwelijks ruimte om mijn schilderijen op te bergen, laat staan om normaal te schilderen. Ik ging weg van het college omdat ik gek werd van het idee zo te moeten leven en startte met werk bij de Oude Kerk. Dit allemaal naast werk in de Rode Hoed. Toen ik stopte met de Hoed konden ze me niet genoeg werk garanderen bij de Kerk en nam ik een echte baan bij PCM, het bedrijf dat het grootste gedeelte van de nationale kranten uitgaf. Nou ja, ‘echte baan’… Ik kwam er als oproepkracht dankzij Marc Scheelen die er een maandje of wat had gewerkt en die ik bij de Rode Hoed had ontmoet.

Rode draad in al dit is hier overduidelijk geld. Soms verkocht ik wel eens aan vrienden, soms aan vreemden, veel werd verkocht via de website Artolive. Toen ik er in ’99 bijkwam was het nog maar net begonnen en gratis. Iedereen kon erop. Er werd overduidelijk geen onderscheid in kwaliteit gemaakt. Het duurde een jaar of twee, maar toen verhuurde en verkocht ik regelmatig. Helaas werd me nooit verteld aan wie en dus beschouw ik die schilderijen enigszins als verloren. Er kwam wel geld binnen, maar er werd geen reputatie gebouwd of klantenkring opgezet. Zij hadden duizenden kunstenaars die werk voor hun verkochten waar zij gedrieën een aardig salaris van trokken. Een oneerlijke zaak, begon me op te vallen.

PCM was een interessante plek. Iets geheel nieuws voor mij. Drie of vier dagen per week van 8 tot 4. Stapels papier in volgorde in enveloppen stoppen, aan elkaar nieten en dan de volgende stapel. Achter elkaar door, met als enige uitzonderingen extra krantenbijlagen of het instorten van het computersysteem. Een nerveus opgefokte beweging van herhaling dag in dag uit met Arrow Classic Rock op de achtergrond en gesprekken over muziek van voor de jaren tachtig. Die gesprekken met mijn collega René en met Matthijs (die helaas weg ging naar een andere afdeling) waren het enige dat me in staat stelde dit enigszins te overleven. Ik voelde me soms als Henry Miller in Tropic of cancer in de greep van een grote machine die me probeerde te vermorzelen. Nu en dan moest ik zelfs direct achter de computer plaatsnemen omdat iemand op vakantie ging of ziek was en dan de hele stroom beheren via allerlei archaïsche computerprogramma’s. Dan voelde ik me als Dostojevsky voor het vuurpeloton waarvan de geweren nooit echt afgingen.

Was het lijden? Jazeker, maar natuurlijk niet als aan een echte ziekte of als aan de honger. Ik had geen atelier en kon niet boven water komen om adem te halen. Ik moest van alles in mijn huis veranderen om een beetje te kunnen werken en was ervan overtuigd enkele schilderijen te moeten vernietigen. Zo’n dertig ging het mes doorheen. Ze waren allen van niet al te grote kwaliteit, maar voor iemand die zijn creaties beschouwd als zijn kinderen is dit op zijn minst gezegd niet plezierig. Ik heb wel een traantje moeten wegpinken. Het toppunt van ellende was dat ik op Oudennieuw tussen de journalisten, redacteuren en schrijvers stond en door iemand gevraagd werd wat ik deed en er niet eens meer op kwam kunstenaar te antwoorden.
Toch maakte ik enkele kleine schilderijen gedurende die tijd, op zijn minst om soepel te blijven, maar ook om te begrijpen waar ik mee bezig was. Deze mondden uit in enkele grotere werken waarin veel beeldende ervaring werd samengebald. Erop terugkijkend ben ik over deze dan weer zeer tevreden.

Hier te zien: Annihilating infinity (geïnspireerd op de Ultimate Nullifier uit Fantastic Four, zoals bedacht door Jack Kirby, een wapen waarmee het universum ongedaan gemaakt kon worden), Birdie, Booty, Cult of Sebek (een plotselinge fascinatie voor de Egyptische krokodillengod resulteerde in dit schilderij en een verhaal), Haat is lachen, Love is in the air, Paint is cool, Reaching for Valhalla, The appeal (waarin een alternatief Adam & Eva-verhaal wordt verteld), enkele schetsen.

Meer afbeeldingen op ozymantra.nl.


















Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen