donderdag 24 februari 2011

Duisternis, een gedicht van Lord Byron

Toen ik dit gedicht voor het eerst las was ik zeer onder de indruk van de duisternis, maar begreep het niet echt. Hoewel veel van de taal die er in wordt gebruikt sindsdien eindeloos vaak is opgedoken in pathetische puberpoëzie en in Heavy Metal of Gothis rockmuziek, lijkt het hier allemaal niet zo twee-dimensionaal. Het verhaal dat er verteld wordt lijkt een oneindige diepte van duisternis te beschrijven waarbij de meeste moderne apocalypsen en rampenfilms in het niet vallen. Uiteindelijk is er niets en niets zal dat uiteindelijk registreren. Hij schrijft over een einde zonder hoop, zonder verwachting, zonder hemel. Een sentiment waarvan ik ten zeerste doordrongen ben. Uiteindelijk, als de oerwouden, vulkanen, overstromingen, zonnevlamuitbarstingen en onze eigen hand een eind gemaakt hebben aan deze beschaving zal er niemand meer zijn om ook maar iets van ons te herinneren. Niemand zal onze botten opgraven zoals wij bij de oude Egyptenaren hebben gedaan en niemand zal dat verleden reconstrueren in mooie tv-programma's op National Geographic. Dit sentiment sprak mij als afkomstig uit een verleden direct bedreigd door de mogelijkheid van een nucleaire ramp zeer aan. Niet leuk, maar toch.

Toen ik het gedicht ging vertalen raakte ik ten zeerste onder de indruk van de opbouw en de manier waarop hij de ramp beeldend naar voren bracht. Misschien wordt dit soort duisternis teveel door pubermeisjes en heavy metal-kids gebruikt om de eigen sores breed uit te meten, maar geen kan het zo effectief en zwaarwichtig doen, met zoveel parlando en stoerheid als onze eigen Lord Byron. Hij bezingt het einde zoals sinds Het Laatste oordeel niet meer is gedaan, maar zijn einde is zonder hoop, zonder pathetiek, niets anders dan verrotte karkassen van schepen omgekeerd drijvend in een lege zee.

Ach, en dan die lieve lieve hond die zijn dode baasje verdedigt tegen de rovers. Het beeld is enigszins overdreven aangezet, maar toch treft het doel. Toch voel ik een moment van verdriet over ons lot.

Vertaling Marcel Ozymantra



Duisternis

Ik had een droom die zeker geen droom was.
De heldere zon werd uitgeblazen en de sterren
Zwierven duister in de eeuwige ruimte
Stralenloos en padenloos, en de ijzige aarde
Sloeg blind en donkerend in de maanloze lucht;
Morgen kwam en ging - en kwam terug om geen dag te brengen
De mens vergat haar passies in de vrees
In dit, in hun troosteloosheid; en al hun harten
Waren verkild door een zelfzuchtig gebed voor licht:
Ze leefden inderdaad bij waakvuren - en de tronen,
De paleizen van gekroonde koningen - de barakken,
De behuizingen van alles dat bestond,
Werden opgebrand voor bakens, steden werden verteerd
En de mensen verzamelden zich rond de vlammende woningen
Om elkaar weer eens in het gezicht te kijken;
Vrolijk waren zij die verbleven in het oog
Van vulkanen en hun bergtoorts:
Angstige hoop was alles dat de wereld herbergde
Wouden werden in de fik gezet - maar uur na uur
Stortten ze in om te vervagen - en de knisperende stammen
Doofden met een klap - en alles was zwart.
De wenkbrauw van ieder bij dit hopeloze licht
Droeg een onaardse aanblik, zoals hortend
Flikkeringen op hen vielen; sommigen legden zich neer
Verstopten de blik om te huilen; en anderen rustten
De kin op ineen gewrongen handen en lachten;
Anderen haastten her en der, voedend
De brandstapels met brandstof en keken op
Vol waanzinnige onrust naar de saaie hemel,
Lijkkleed van een voorbije wereld; om ze opnieuw
Al vloekend neer te slaan op het stof,
Tandenknarsend en jankend, de wilde vogels krijsten
En fladderden angstig over de grond,
Hun nutteloze vleugels klappend; de grootste geweldenaars
Werden tam en goedgelovig; de adders kropen
En verstrengelden elkaar in de menigte,
Tandeloos sissend - omgebracht voor voedsel:
En oorlog, die momenteel afwezig was geweest
Verzadigde zich weer: een maaltijd werd gekocht
Met bloed en ieder zat humeurig alleen
Zwelgend in somberte: geen liefde gelaten;
Geheel de aarde was één gedachte, die aan de Dood
Onmiddellijk en roemloos; en de pijnscheut
Van honger voedde zich met ieders ingewanden - mensen
Stierven en hun botten bleven grafloos als hun vlees
De schralen werden verorberd door de schralen,
Zelfs honden vielen hun meesters aan, allen behalve één,
En deze was trouw aan een lijk, hield
Vogels, beesten en begerige mannen op een afstand,
Tot de nood hen omhelsde of de vallende doden
Hun magere kaken verlokten; hijzelf zocht niet naar eten,
Maar met een klagend aanhoudende kreun
Na een korte eenzame kreet, de hand likkend
Die niet met een aai antwoordde - stierf hij.
De massa was uitgehongerd in alle soorten; maar twee
Van een enorme stad overleefden
En zij waren vijanden: zij ontmoetten
Naast de stervende sintels van een altaar
Waar men een berg van heilige zaken opgestapeld had
Voor onheilig gebruik; ze harkten bij elkaar
En schraapten rillend met hun koude, botte vingers
De zwakke as en hun zwakke adem
Blies voor een beetje leven en maakte een vlam
Die een spotlicht was; vervolgens tilden ze op
Hun ogen, terwijl het lichter werd, aanschouwden
Elkanders aard - zagen, en krijsten, en stierven -
Zelfs van hun gelijke akeligheid gingen ze dood
Onwetend wie hij was op wiens wenkbrauw
Honger Vijand had geschreven. De wereld was ledig,
Het gepeupel en de machtigen waren een klont:
Seizoenloos, kruidloos, boomloos, mensloos, levenloos,
Een klont dood - een chaos van harde klei.
De rivieren, meren en oceaan lagen allen verstomd
En niets roerde in hun stille dieptes;
Matroosvrije schepen dobberden rottend op zee
Hun masten braken stukje bij beetje: terwijl ze vielen
Sliepen ze boven de afgrond zonder deining -
De golven bleven dood; de getijden lagen in hun graven
De maan, hun minnares, had het reeds opgegeven;
De winden waren verdord in de starre lucht
En de wolken vergingen; duisternis had geen nood
Voor hun hulp - Zij was het universum.

Diodati, juli 1816

Illustratie Norm Bleac

Ik heb aan een aantal jonge artiesten, ontwerpers en vormgevers gevraagd om voor mijn blog illustraties te maken. Norm Bleac is de eerste en ik hoop dat hij nog meer zal doen. Ook hoop ik dat dit op de een of andere manier als springplank voor deze uitzonderlijke talenten kan werken.



Ik heb geprobeerd de vertaling zo letterlijk mogelijk te maken, met behoud van typische archaïsche zinswendingen en eigenaardigheden eigen aan het gedicht, die tijd en die stijl. Elk soort modernisme of eigen interpretatie is zoveel mogelijk vermeden.

George Gordon Byron (1788-1924) schreef in 1816 dit rijmloze gedicht. Dat jaar staat bekend als 'Het jaar zonder zomer'. Noord-Amerika en Noord-Europa had veel last van koud weer en zonsverduisteringen en veel mensen dachten dat het einde der tijden was gekomen. een enkele wetenschapper voorspelde dit ook, wat nogal wanhopige reacties veroorzaakte. zo ging een heel dorp in gebed op de knieën toen een passerende colonne soldaten op hun trompetten blies omdat men dacht dat het de hoorns van de Dag des dagen was. Zonder dat men dit wist werd de verduistering en koude veroorzaakt door een uitbarsting in Indonesië, toen een Nederlandse kolonie, van de vulkaan Tambora. Het as reikte helemaal rond de wereld. men had toen ook ontdekt dat er grote zonnevlekken op de zon waren, waarvan we nu weten dat dat koelere plekken zijn die ook nu nog grote weersveranderingen kunnen veroorzaken, zoals bijvoorbeeld El Nino.

Lord Byron, afkomstig van een adellijk geslacht in Schotland, is, als belangrijk vertegenwoordiger van de Romantiek in Groot-Brittannië, vooral bekend om een bepaald type van vrouwenversierder en kunstenaar. Leven op grote voet, boos zijn op God en klagen over onbegrepen zijn. Hij liet zich graag als een held afbeelden en vermeed verwijzingen naar zijn klompvoet die hem in de ogen van anderen aanzienlijk minder stoer had kunnen doen overkomen. Het gedicht Don Juan is van hem en daarmee heeft hij ook het begrip van de Don Juan in de literatuur en de wereld gebracht. Een ander soort versierder dan Casanova. Die laatste heeft overigens wel echt bestaan.

Hij verweet Keats eens dat deze altijd rijmloos vers gebruikte, maar in dit gedicht toont hij zich ook hiervan een meester. Het zit vol met Bijbelse verwijzingen die voor de verandering eerder het ontkennen van God en het Goddelijk tot doel hebben. Iets dat voor die tijd best gewaagd was.

Engelse versie

2 opmerkingen:

  1. Ik was opzoek naar de gedichten van Lord Byron en kom ik deze blog tegen.
    Wat heb jij zijn gedicht mooie en duidelijk vertaald.
    Tijdens lezen denk je dat je een poëtische rampfilm aan het kijken bent. Het is betoverend!
    Dankjewel Marcel

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Dank je wel voor je mooie compliment, Parastoe!

    BeantwoordenVerwijderen