vrijdag 14 oktober 2011

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 1

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel verteld worden over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.

Deel 1

Natuurlijk heette Alfred niet Alfred. Dat wisten alle katten. Maar Alfred vond het niet vervelend om zo te worden genoemd. Zijn echte naam had waarschijnlijk voor verwarring gezorgd. Dan had hij misschien gereageerd alsof de roepende een kat was en niet een mens. Zijn echte naam was een samenstelling van kattenklanken en kattengeuren en ook van een vleugje kattenkrabben. Geen echt mens had deze kunnen uitspreken zonder voor mafkees uitgemaakt te worden. Soms kwam zijn baasje akelig dichtbij met zijn gekoer en gekrauw om aandacht, maar zijn baasje was dan ook een beetje gek, vond Alfred. Vergeleken met andere mensen.

Het was weer een dag als zovele, met de geuren zoet van muizen, bitter van boombast en brandnetel, indringend van bloemen en hun dragers van geel stuif en met de dauw die nog niet elk hoekje was ontvlucht. Alfred was als een geest zo licht die over de aarde vlood met de tred van een dief. Daar aan de overkant, achter het Struikenparadijs, boven de Stenen woestijn, links van de buren die nooit buitenkwamen en soms toch wel, stond er kaas op een tafel tussen het verse brood. Op een bord van glad steen op een kleed vol platte bloemen. Bloemen en kleed hadden dezelfde geur, maar dit negeerde hij. Die kaas was zo scherp dat de hele buurt er van gloeide. Zelfs Peter en Druusa van twee straten verderop hadden het geroken. Alfred kon het aan hun beweging horen.

In de boom aan de rechterkant, drie stappen verder van de aasboom, vier sprongen en een stap rechts van de meiboom, in de boom die vogels vluchtboom noemden, zat een ekster genaamd Jules te kwetteren. Hij wachtte op Lules, zijn maatje voor eeuwig. Tenminste, tot Alfred één van hen te pakken kreeg. Ook dat waren natuurlijk niet hun namen en geen mens had ze verzonnen, maar Alfred sprak geen Eksterig, tenminste, niet voldoende, zodat hij niet kon wist hoe ze echt heetten. Kraai had hij het wel eens gevraagd, maar Kraai antwoordde zijn vragen nooit, nee, hij vertelde alleen. Zijn verhalen van over de hele stad, of dat wat de kraaien noemden: Stagroot. Alfred zou zich aan Jules kunnen ergeren, maar de zon was daarvoor te lekker. Bovendien leek het hem een uitzonderlijk goed moment om Eksterig te bestuderen. Het was vast niet zo anders dan Kraais. Misschien zou hij zo op iets komen om Jules te vangen.



illustratie M. Ozymantra

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen