donderdag 8 december 2011

Nik de Furie

Tom Kavelaar had hetzelfde gevoel voor avontuur als ik en daarom trokken we door weer en wind over berg en rivier naar waar we de meeste lol hadden, al was de weg zelf altijd amusant genoeg en kwamen we nauwelijks verder dan de grens van onze wijk. Tom woonde drie straten verderop en dat maakte dat hij niet tot onze vijanden behoorde – zoals de jongens van de aanliggende straat.
            De tocht naar de Witte Huizen was redelijk te doen. De kinderen daar keken naar ons als naar vreemden die uit de woestijn kwamen. We liepen spitsroeden, maar iedereen was te nieuwsgierig om iets te doen. Niemand sprak een onvertogen woord. Een jochie met lepe blik schopte een bal in onze richting. Het zachte plastic ding had een vervaagd logo van een niet meer bestaande supermarkt. We namen de halfslachtige uitdaging niet serieus. Tom trapte de bal naar één van de oudere jongens.
            In de ochtend hadden we elkaar op het veld achter mijn straat ontmoet. Naar dat veld trokken regelmatig hele troepen kinderen om cowboytje Indiaantje, om te voetballen of voor pruimentikkertje. De afgelopen zomer ontdeden ik, mijn buurmeisje en Jeroen – van verderop van bij de grens tussen onze straat – in de struiken ons van de kleding en bekeken elkaar minutieus. Jeroen was wat jaren jonger en klikte die avond tegen zijn ouders. De volgende dag kreeg ik een beschamend standje. Dat veld was de kern van onze buurt, maar ook de plek waar al de verschillende straten elkaar ontmoetten. Over een paar dagen zou het Sinterklaas zijn. Ik droomde al weer even van alle cadeaus die ik zou krijgen en praatte er honderd uit over met Tom en andere vrienden.
            De radio had kou, kou en nog eens kou voorspelt. Precies wat we wilden. De dijk die de Witte Huizen tegen de boze wereld – en tegen de autoweg – beschermde beklommen we moeizaam. Van daar af hadden we zicht op het hele wilde land. Links lag de aanbouw van de nieuwe brug over het meer, recht voor ons lag de meanderende weg naar het volgende dorp en achter de weg lag ons doel; de eindeloze woestenij met heuvels, zandvlaktes en braambossen. Achter ons de Witte Huizen, fiere haaientanden verzonken in de zwarte vruchtbare aarde, die zigzaggend de ijswaterlucht open kauwden. We gleden half struikelend lachend de dijk af. De sneeuw had alles glad en gevaarlijk gemaakt. Een wildernis vol onbekend avontuur grijnsde ons tegemoet!
            Beneden bleef Tom tijdens ons wandelen de grond naar gave karkasjes afspeuren. Iedereen die hem kende bewonderde zijn skeletverzameling. In doosjes van karton en hout lagen de bijna perfect bewaarde skeletten van muizen, ratten, padden, papegaaien, lijsters, mezen, een kat en zelfs van een otter die hij van een oom uit Noorwegen had gekregen. Toen ik hem eens met verhuizen hielp en een doosje per ongeluk liet vallen werd hij boos op zichzelf. Want hij had mij in vertrouwen genomen en dat was een fout geweest. Tom werd liever boos op zichzelf dan op zijn vrienden. Ik dacht altijd dat hij gewoon bang was om ons kwijt te raken.
            De autoweg was stil. Niemand die zich op het kristalliserende asfalt wilde wagen. Even werd mijn aandacht door een donkere vlek op het wegdek getrokken, maar Tom keek er niet eens naar. Daar zou geen botje heel van zijn. Ik begon te schuiven en voor we het wisten gleden we luidruchtig over het asfalt. We lieten sporen als van skiënde kangoeroes achter.
            Zonder dat we het hadden afgesproken was ik de leider. Ik was tenslotte degene die de ontdekkingsreis had voorgesteld en bovendien vond Tom verantwoordelijkheid maar niks. Als ik er zo over nadenk kan ik me geen moment herinneren dat hij ooit het initiatief nam. Ik vond het ook niks, maar deed graag wat ik wilde en het was prettig als anderen dan volgden.

De stokken die we als machetes gebruikten om de bladeren weg te slaan hadden we naast de weg gevonden. Het slaan zelf was al plezier genoeg, want eigenlijk zat niets ons in de weg. Ik zag hoe Tom telkens naar de heuvels verderop keek, waar een donkere kam van bomen de zwerk kietelde, maar ik voelde er niets voor om daarheen te gaan. ‘Dat is nou wat je ervan krijgt, Tom,’ dacht ik vilein, ‘als je niet het initiatief wilt nemen.’ Gek genoeg ergerde het me dat hij iets anders wilde, maar er niet voor durfde uit te komen. Hij stopte met staren en begon de grond weer af te speuren.
            Eindelijk waren we daar waar ik wilde zijn, al had ik niet van tevoren geweten dat ik daar wilde zijn. Het was een klein ondergelopen stuk met in het midden een eilandje. Als er geen ijs op het water had gelegen was ik eraan voorbijgelopen. Tom keek me vragend aan.
            ‘Zou het sterk genoeg zijn?’ vroeg hij. Ik voelde met de voet het met sneeuw bedrukte ijs en merkte dat het doorboog, maar niet direct brak.
            ‘Misschien… Wil jij niet ook op dat eilandje zitten?’ Tom knikte geestdriftig. Zijn blonde haar wuifde als een gordijn in de tocht.
            ‘Maar is het ijs sterk genoeg?’
            ‘Misschien als we snel genoeg rennen zijn we erover voor het breekt.’ zei ik.
            ‘Maar hoe komen we terug?’ Ik zag aan zijn blik dat het hem weinig kon schelen.
            Tom nam een aanloop en rende over het ijs. Het brak in grote stukken onder zijn zwarte schoenen. Aan de schotsen die hij maakte was te zien dat het ijs maar iets van twee centimeter dik was. Ik volgde een heel stuk verder naast zijn spoor. We renden snel genoeg om geen natte voeten te krijgen en vielen op het eilandje op het mos dat schitterde van de rijp.
            ‘Godsamme, zeg!’ riep hij juichend uit.
            ‘Ja, man!’ We steunden kreunend van de ren en voelden ons als helden uit de een of ander epos.

Het werd al snel duidelijk: we konden niet terug. Het ijs zou een terugtocht niet aankunnen. Ons eiland was afgesloten van de wereld. Ik was benieuwd hoeveel proviand we nog hadden en zocht door mijn zakken. Twee salmiakknotsen en een mandarijntje.
            ‘Wat heb jij bij je?’ Hij had een zak Engelse Drop. Daar konden we de hele nacht op teren. We bleken toch natte schoenen te hebben – dat gebeurde vast en zeker helemaal op het eind– en trokken onze schoenen uit om de sokken uit te wringen. Het was ijskoud, maar ik verdroeg ongemak zolang we plezier hadden.
            We lachten nog eens broederlijk. De vroege nacht begon het duister mysterieus te maken en het witte een goddelijk glans te geven. Ik vertelde hem over de tunnel die van de Sint Jan in Hilversum naar Huizen en het Gooimeer liep, door wat vroeger de Zuiderzee was. Ik vertelde nog een verhaal en nog één, terwijl we af en toe een dropje bestaande uit vrolijk gekleurde laagjes aten. De ronde blauwe en roze pittenkussentjes verdeelden we netjes onder elkaar. Sommige verhalen verzon ik ter plekke en andere had ik van familie & vriendjes gehoord.
            Boven ons eilandje was geen wolk te bespeuren. We konden in het bruine diep van het heelal staren. Ik vertelde over de Olympus Mons– wat de hoogste berg van het zonnestelsel is – waarin een een ondergrondse stad zat. Natuurlijk waren de marsmannetjes niet groen met grote uitpuilende ogen en waren ze zeker niet enkel mannelijk. Nee, ze bleken blauwig te zijn en hadden een poreuze huid, zodat ze de schamel aanwezige zuurstof beter konden absorberen. Het waren bijna alleen vrouwen, net als bij leeuwen. Hun ogen waren kleine spleetjes en de mannen hadden inderdaad ook manen.
            Onze konten werden nat in het vochtige mos, maar onze ruggen bleven warm in de jassen die bol stonden van het schuim. Een schuim waarvan ik kon vertellen dat het meer dan eens levens had gered omdat het vuurbestendig was.
            Toen werd het tijd voor Tom om een verhaal te vertellen. Dat was het beste van met Tom rondlopen. Altijd kwam hij met een verhaal waarover je moest nadenken.
            ‘Wist je dat Sinterklaas in de derde eeuw na Christus werd geboren? Niet in Spanje, maar in Myra aan de kust van Turkije – wat toen nog Romeins was. Vanaf zijn geboorte al noemde iedereen Nicolaas een heilig boontje, zo vreselijk Christelijk was hij.’ Tom knipoogde naar me, maar dat was moeilijk te zien in de duisternis. ‘Omdat hij nog meer wonderen dan Jezus verrichtte stond hij bekend als een wonderdoener, maar niemand snapte dat dit fout was. Want had Jezus niet gewaarschuwd tegen valse magiërs? Ja, dat had hij.’ We lachten hard. Ik verslikte me bijna in een dropje. Luid kuchend verdeelde ik de salmiakknotsen.
            Toms ouders kwamen uit de buurt van Kampen en behoorden tot de Zwarte Kousen-gemeenschap. Eng witte mensen. Ik dacht altijd dat ze familie van Dracula waren of zo. Tom had er niks mee. Die ging zijn gang.
            ‘Wat niemand wist was dat om wonderen te kunnen verrichten Nicolaas een verbond met een heidense god had gesloten! Wodan, oppergod van de Vikingen, had zijn oog ingeruild voor een blik op de toekomst en gezien hoe de Christenen zijn geloof zouden uitroeien. Hij wilde vriendjes met de nieuwe godsdienst worden, zodat hij en zijn medegoden genoeg aandacht zouden blijven krijgen.’ Het was altijd hetzelfde met Tom. Hij wist zoveel dat je nooit zeker wist wat hij je op de mouw spelde. ‘Weet je dat de goden leven van de aandacht van mensen? Zonder dat zouden ze verdwijnen als een soapsterretje die door de paparazzi wordt genegeerd. Wodan deed Nicolaas een aanbod: zijn mooie witte schimmel om in een oogwenk van de ene naar de andere plek te rennen en zijn speer waarmee hij de vijanden van het geloof kon vernietigen. Zo kon Nicolaas tegelijk de heiligman zijn en strijden tegen de barbaren uit het Oosten die het Romeinse rijk bedreigden. Niemand weet of de andere bisschoppen ervan wisten, maar in ieder geval kwam het keizer Constantijn goed uit. Ook Wodan kwam het goed uit, want iedereen die Nicolaas zag moest onherroepelijk aan de Alvader denken.
            ‘Nicolaas genoot zo van dit dubbelleven dat zijn lichaam soms doorschijnend was. Zijn onderdanen dachten dat het kwam door zijn hoogste heiligheid en aanbaden hem nog meer. Op het strijdveld stond hij bekend als Nik de Furie, gesel van de Parthen. Toen hij zijn einde voelde naderen ervoer hij een diepe schuld over al die doden en bad vurig om vergiffenis. Natuurlijk werd hij heilig verklaard. Als beschermheilige van kinderen, ongehuwde vrouwen, kooplui, studenten, geliefden, slagers, dieven, moordenaars, piraten en eigenlijk al het tuig op straat kon dat toch niet anders? Maar er stond wel iets tegenover. Dat is waarom hij sindsdien op december over de daken rijdt om zijn zielenheil te verlichten. De Zwarte Pieten zijn de zielen van alle vijanden die hij heeft gedood.’
            We lagen in de stilte van ons koude eiland te luisteren naar het slaan van vleugels in de verte. Het kon ook de tabberd van de Sint kunnen zijn, klapperend in de striemende lucht.         Ik staarde naar de hemel en geloofde even met heel mijn hart in het bestaan van onderaardse Marsvrouwen en de koopwaar die ze hun mannen in ruil voor een Marsnacht van minnen beloofden. Ik droomde ervan een vriendinnetje te hebben, van het krijgen van kinderen, van het verzamelen van de schedels van de doden, van het opzetten van skeletten en ze nieuw leven inblazen. Ik droomde van een Sint die helder was als het zuiverste water en tegelijk duister als het vuilste kool. Ik droomde van roetzwarte zielen die zich in de mantel van de Sint verstopten, waarvan de binnenkant zwart als het universum was, duister als een lege schedel. Nooit eerder had ik zo gedroomd.
            We lagen te verkleumen in een kou die zo diep klauwde dat het op sterven leek. We geloofden werkelijk dat we nooit meer van het eilandje af zouden komen.

Tom was de eerste die zich verroerde. De Engelse drop was op. Ik wilde blijven liggen en verder dromen.
            ‘Maar we kunnen toch niet weg tot het meertje is dichtgevroren?’ zei ik. Ik heb eigenlijk nooit zeker geweten of ik in Sinterklaas geloofde. Hoe kan je weten dat je gelooft als er geen reden is om aan je geloof te twijfelen? Ik wist niet eens of ik ervan overtuigd was dat de Sint bestond, want hoe kon ik overtuigd zijn van iets als er geen reden bestond om te denken dat hij ook niet kon bestaan?
            ‘Wil je dan de hele nacht hier blijven kleumen,’ vroeg hij. Dat begreep ik ook wel. We konden gewoon weg. Natuurlijk konden we gaan wanneer we wilden. De honger maakte het moeilijk om de overtuiging vast te houden dat we afgesloten van de werkelijkheid waren. Achter het eilandje was de afstand tot het vaste land een stuk korter.
            We stampten luid klossend het ijs aan stukken. Het kon ons niks schelen of we nat en koud werden. Het waren maar een paar stappen. Vijf, om precies te zijn. Van daar was het een klein stukje naar huis. We sloegen de dijk rond de Witte Huizen over. We hadden geen zin in de koude klim. Ik zocht niet meer naar skeletten en Tom ook niet. We namen van elkaar met een knik afscheid. Hij ging naar zijn stuk van de wijk en ik naar het mijne. Thuis wachtte een warme kachel.


Nik de Furie
illustratie M. Ozymantra

2 opmerkingen: