donderdag 22 december 2011

Van nul tot niets

‘Krijg nou wat,’ zei Guust, ‘een zwart gat!’ Niemand had ‘Het’ zien binnenkomen. Nou zie je ook niet elke dag een zwart gat ergens binnenkomen, maar je zou toch denken dat zoiets niet geluidloos gebeurt. Hoe Guust wist wat het was wist ik ook niet. Hoe herkent men zo’n ding als het nooit eerder is gezien? Dat hoorde ik later van hem, dat niemand ooit een zwart gat heeft gezien. Blijkbaar zit het universum er vol mee. Een theoretisch concept waarvan er in zo’n beetje elke melkweg een supergrote versie zou zitten. Ik wist niet eens dat er meerdere melkwegen waren! Ik dacht dat al de sterren in de nacht alleen maar kleine zonnen waren. Andere planeten? Ja, die schijnen er ook te zijn. Andere planeten dan waar we op staan. Maar zeg nou zelf, hoe gek is dat, een zwart gat op werk? Na Guust’ opmerking zei niemand nog wat. Spreken, geluiden en zo, ze leken onzinnig. Het gat zoog al het geluid op als een spons met whisky doet. Het geluidloze maakte ons bang, maar dat duurde niet lang. Zulke zaken duren nooit lang. Een ding was zeker: erg levendige conversatie zou niet volgen.

We nodigden het gat uit om mee te gaan naar de kroeg. Guust vertelde, Guust is mijn beste vriend sinds de Hbo, dat een zwart gat een zogenaamde singulariteit is. Een minuscuul gat van niets dat stil vibreerde van de verpletterde quantums die het uitspuugde. Het overblijfsel van een in elkaar gezakte ster. Wat het echt was wist men ook niet, maar dat het het ontbreken van alles dat bekend is was, daar waren de wetenschappers het over eens. Ik moet zeggen dat Guust wel eens leukere verhalen heeft opgedist. Met hem kon je op school altijd goed lachen. Guust was intelligent genoeg voor econometrie, maar ging liever in de reclame. Hij wilde zijn tanden in menselijke zwakheden kunnen zetten. Daar zat zijn plezier: in het zwakke van de ander. Hij wist over alles wel wat en zei ook dat een van de weinig manieren om te communiceren met een zwart gat geconcentreerde gammastraling zou kunnen zijn. Een papiertje met marker bleek ook voortreffelijk te werken.

Na ons vierde rondje hadden we het wel door. Ons zwarte gat was een vrouw. Ze ging constant naar het toilet, zoog het leven uit de conversatie en had geen goed woord over voor ons gebral. De eerste die dit suggereerde was Guust en hij was natuurlijk de eerste die begon te flirten. Guust is dan in het gewone leven de man met de ideeën, maar met een drankje op ging dat denken niet meer. Zeker als er sprake was van vrouwen. Dat was altijd al zo en ik zou je hele verhalen kunnen vertellen, maar daar heb ik nu geen zin in. Zo was er die ene keer met een travestiet, maar goed, dat wordt te lang uitweiden. Ik had zo mijn twijfels of dat zwarte gat een vrouwtje was. Ze deed me denken aan een jongen die op de HAVO altijd The Cure draaide en PvdA stemde. God, wat was die deprimerend. Toen hij zei ook in de reclame te willen lachte ik me dood. Uiteindelijk is er niks van terechtgekomen. Hij werkt nu voor de VPRO. Wat een nul!

Ik waarschuwde Guust nog, maar goed, die borrels, hè? Hoe het zwarte gat hem opzoog had ik nog nooit gezien. Naarmate hij dichterbij kwam werd hij steeds langer en dunner. Je zou denken dat hij uit elkaar zou scheuren, maar niks daarvan. Nee, hij bleef maar langer en dunner worden, schreeuwend zonder geluid te maken, tot hij dun als een lijn spoorloos verdween. Het gat vonkte een beetje alsof het boertjes liet, maar de vonkjes kwamen van buiten, niet vanuit het midden. Daar was niks en zelfs minder dan dat, als er een minder dan niks is. Enfin. Dat was dus best kut. Guust was toch echt mijn beste vriend. Met wie kon ik nou de hele avond over vrouwen en auto’s zeuren of naar Stryper-concerten gaan? Wie kende de teksten van Jiskefet zo goed dat we er naadloos mee konden improviseren? Met wie moest ik nu naar Alanya om die slettebakken dronken te voeren? Ik kon het niet laten ‘Lullo!’ te roepen toen hij over de evenementhorizon glipte. Dit was dus blijkbaar het laatste punt waarop men iemand of iets nog kon waarnemen die een zwart gat inging. Guust’s laatste wijsheid, zal ik maar zeggen. God nog aan toe.

In ieder geval zag niemand van ons dit als een reden om de kroegentocht op te geven. Peter en Max wisten een te gekke tent bij het Rembrandtsplein waar je onbeperkt bitterballen kon eten. Er hingen wijnranken aan het plafond en iemand had er Romeinse gasten tussen geschilderd. We bestelden drie flessen Champ en, ach, zo kwam ik wel weer over het verlies van Guust heen. En zo geweldig was het ook weer niet om dag in dag uit met Guust te werken, weet je. Big brain, oké, maar daar had hij niet de hele tijd mee te koop hoeven lopen. Niets is zo afstotelijk als iemand die zich de hele tijd aan zichzelf opvrijt. Ja, oké, ik kende hem al zo lang en niemand kende mij waarschijnlijk beter dan hij, zelfs mijn moeder niet, maar er waren zoveel mensen die ik nog niet kende en vaak niet wilde kennen en wat maakt dat uit? Ik ging toch zeker niet huilen?

Maar die gasten waar ik verder mee moest waren ook niet top. Neem nou Peter en Max, van de verkoop. Daar had ik weinig mee op want ze waren zo creatief als een Turk in een pierebadje. Toch was dat niet echt een probleem. Er kon geen carnaval, 1 april of Prinsjesdag voorbijgaan zonder dat ze het kantoor op stelten zetten. Zo hadden ze laatst de rubberen deurmat weggehaald en enkele potten appelstroop uitgegoten. Van een afstand zag het er perfect en echt uit. Die twee hinnikten zich die dag een hernia. Niet dat iedereen er de lol van kon inzien. Carolien had net dure schoenen gekocht en moest bovendien voor acquisitie een belangrijke klant ontmoeten.

Het zwarte gat was meegekomen en zinderde het plafond van de kroeg stuk. Plastic druiven schoten in spiralen weg om in drankjes en op borden terecht te komen. Stukken beschilderde kalk braken los en werden tot niks geknepen in de waanzinnige leegte van ons vriendelijke gat. Dus zo werd het universum binnenstebuiten getrokken. Peter verzamelde in zijn vrije tijd strips, wat kon je anders van zo’n kinderlijk persoon verwachten, en had eens een verhaal gelezen waarin een zwart gat de doorgang was naar een ander universum. Alles dat aan de ene kant werd ingezogen kwam er aan de andere kant uit als planeten en wat dan ook. In dat universum was het gat een zon die hele werelden leven gaf. Peter had meer fantasie dan ik dacht. Helaas maakte dit Peter zo nieuwsgierig dat hij te dichtbij kwam. Ergo, weer een maat minder. Max, Carolien, Arend-Jan en ik bleven over. Nog genoeg voor een heleboel gezelligheid! We tapten er nog maar eentje.

Het was alsof de duivel ermee speelde, maar al die idiote collega’s dachten iets in het zwarte gat te zien wat mij ontging. Ik zag tenslotte niets anders dan niets. Max en ik raakten aan de praat over iets dat alleen dronken mensen boeide. Hoe vaak de koningin neukte per jaar, geloof ik. Toen ik begon over de paus en soortgelijke zaken verbleekte hij en werd boos. Zijn rode snor flapperde helemaal van de woedend uitgespuugde woorden. Ik bood mijn excuses maar aan. Drank maakt meer kapot enzovoort. Iemand die geloofde. Ik moest erom lachen, maar vond het ook wel schattig. Je kwam ze nog maar zelden tegen en zeker niet in onze business. Hij keerde zich van ons af en leek iets te overdenken. Zijn zonden vast! Wij klonken onze glazen nog maar eens. Het zou een gedenkwaardige avond worden! Plotseling stond Max op en stapte aarzelend op het gat af. Het gat was klaar met plafond en plastic druiven. Er was nog plaats genoeg voor Max. Op zijn knieën werd hij traag naar binnen getrokken, zijn gebeden in het geluidloze opgeknabbeld. De honger van dat ding was niet te stillen.

De eigenaar van de bar vond het welletjes. Het was een slank mannetje en hij kwam op ons af met de mouwen van zijn wollen trui opgestroopt alsof hij ons er persoonlijk uit zou werken. Ja, sure, hij en welk leger, weet je! Maar hij was vriendelijk genoeg. Of we weg wilden gaan en alsjeblieft dat kreng van een gat mee wilden nemen. Het was slecht voor zijn verzekeringspremie. We wankelden naar buiten en Carolien, van advertising, begon met me te sjansen. Ze was alweer een jaar vrijgezel en we hadden al meermalen gekust en soms ging het wel verder. Ze had lekkere grote tieten, maar verder was ze niet mijn type. Ze deed het volgens mij met het hele kantoor. Zelfs getrouwde mannen. Geen grenzen, dat wijf, maar goed, wat wil je. Maakte mij niet veel uit, hoor, maar het blijft vies. Ik wilde er vanavond nog wel eens overheen rollen als het kon. Terwijl we zo liepen had ik al snel een hand op d’r kont en daar zei ze geen nee tegen, nee, ze had er eentje op mijn lul alsof het een tekkel was. Maar ik weet niet wat ik nou weer verkeerd zei, want voor ik het wist stond ze met mijn squashmaatje Arend-Jan te bekken die in zijn hand een tiet kreeg. Wat een slettebak. Maar dat was blijkbaar niet genoeg en toen ging ze met het zwarte gat te flirten. Het was bijna grappig om te zien hoe haar tieten werden opgerekt in de ruimtekromming. Toch vond ik het jammer. Je zou het niet zeggen, maar elke keer als ik met een meid had gevoosd bleef er een zwak voor haar. Zo niet in mijn hart of hoofd dan wel in mijn ballen. Misschien rook ze dan niet zo fantastisch, maar het bleef toch een meid waar je goeie lol mee kon hebben. Een mens. Ja, dat bleef ze ook.

Dus bleven Arend-Jan en ik over. We waren met drinken aardig aan elkaar gewaagd. Hij had een flacon absint bij zich waaruit we buiten de kroeg ieder een flinke slok namen. Met Arend-Jan is het altijd lol, maar ook altijd competitie. Voor hem bestond er geen gelijkspel en hij gaf nooit eens toe ongelijk te hebben. Het was leuk met Arend-Jan tot te agressief werd. Ook als ik hem in een partijtje squash had afgedroogd moest hij rotzooi trappen op de club. We waren er al een paar keer bijna uitgezet. Als copywriter was hij onovertroffen in zijn vakgebied en op werk konden we het dus best goed vinden. Zolang ik hem niet tegensprak.

Ik hield een papiertje voor het zwarte gat omhoog met ‘Volgende tent?’ erop geschreven en het volgde ons de taxi in. De mocro wilde ons eerst weigeren, maar hij moest volgens de wet iedereen meenemen, dus ook het zwarte gat. Mooi zeg dat we daar niet intrapten! In de nieuwe kroeg sloegen Arend-Jan en ik pas goed aan het zuipen. In het hoekje waar we zaten was het aangenaam rustig, al was het maar omdat iedereen het zwarte gat uit de weg ging. A-J begon zich er aan te ergeren. Dat staren en stralen hing hem de keel uit. Op deze manier was het gat net zo’n gast die erbij wilde horen maar niets zei. Je kent ze wel. Je had altijd van die lulletjes. Ze wachten als schoothondjes op het volgende gratis drankjes en lachten netjes op tijd om elk grapje, maar kochten nooit zelf eens iets. A-J was nou eenmaal niet zo’n geduldig type en begon te schelden dat het een lieve lust was.

Hij was een iel mannetje met glanzend haarvrij voorhoofd, dus toen hij op zijn borst begon te slaan als een gorilla maakte dat weinig indruk. Maar de felheid waarmee hij schreeuwde en de woeste blik in zijn ogen zouden een panter schrik aanjagen. Hij sprong stoer op naar het gat alsof hij het niets in zichzelf wilde duwen en verdween zoals de anderen voor hem. Een streep van venijn. Ik wist niet precies hoe ik me erover moest voelen. Aan de ene kant was het de minst sympathieke collega, maar aan de andere kant was hij squashmaatje en zou ik dat echt missen. Verder, ja, verder… Er was weer een mens verdwenen in het grote niets. Moest het me niets doen omdat ik deze persoon niet echt mocht? Ik kon toch niet om iedereen geven die dood ging of verdween? Ik werd er helemaal chagrijnig van. Er was niemand nog die naar me zou luisteren.

Ik zat zo een tijdje, biertje in de hand, zwart gat tegenover me, toen een langharige kerel aanschoof. Mijn woede over de verdwenen collega’s was grotendeels verdwenen. Aan de dood valt niets te doen, aan het ongeluk ook weinig. Al hadden ze het allen opgezocht, zelfs als ik het niet zou opzoeken zou het me inhalen. Deze stilte van het niets, dit buitenmenselijk gevoelloze waarmee we werden geconfronteerd zou niet weggaan omdat wij het wensten. Het zou blijven in onze dromen, in onze gedachten en plannen, maar nooit meer wijken. Ik was er helemaal poëtisch van geworden. Gatverdamme wat een slijmzooi! De langharige bebaarde man begon tegen mij te praten. Ik had het niet zo op fucking hippies.
‘Wat moet je?’
‘Zo, zo, een echt zwart gat, hè? Dat zie je niet veel.’
‘Nogmaals…’
‘Rustig aan, maat, je ziet er zo ontevreden uit dat ik dacht es te vragen wat er aan de hand is.’
‘Dat ken je toch zien?’ Ik vertelde hem over het verloop van de avond. Hij knikte begrijpend. Ik vond het maar niks. ‘Jullie snappen er ook niets van. De hele tijd zo agressief. Dat gat wil gewoon aandacht en warmte. Het is niet voor niets zo koud.’ Hij had inderdaad een zachtheid die me deed denken aan vroeger, aan mijn moeder, aan de eerste keer dat ik Gandhi zag, de film dan. Helaas was het gat ook voor warmte niet in de stemming. Zijn baard was het laatst dat over de evenementshorizon verdween, vrolijk als een serpentine.

Daar zat ik dus dan. Biertje in de hand, zwart gat tegenover me, een tent die roezemoesde en danste. Een hand die trilde. Ik kon het glas bijna niet vast houden. Ik zweette, terwijl het niet warm was. Mijn linker ooglid knipperde overdadig. Mijn pik leek zich wel in een schelp te hebben teruggetrokken. Geen van de aantrekkelijke dames in deze tent deed me ook maar iets. Ik ademde zwaar, maar wist niet of dat van woede of angst was. De twee liggen soms zo dichtbij elkaar. Het gat knipperde als een lamp die elk moment kapot kon gaan. Ik moest er iets aan doen.
‘Wat moet je nou van mij? Denk je werkelijk dat het me iets kan schelen wat je hier doet? Rot toch op, gek ding.’ Gek ding, ja, niets meer dan een gek ding. Een kloteding dat niets was en niets gaf. Een koud ding, een dode ster. Een opgedroogd impotent rotding waar niet aan te relateren viel. Toen sprak het ding plotseling.
'Op reis zag ik jullie planeet en wilde weten wat dat hier was, al dat gerucht, al die herrie. Niets hier is geordend in verval zoals de rest van het universum. Alles groeit, als een kanker zonder lichaam. Niemand is bewust van de kou, de alles overheersende, heerlijke kou van het heelal. Ik vond dit grappig en besloot langs te komen.’ Ik voelde een traan loskomen. Mijn ogen deden pijn. Ik kneep ze samen en realiseerde me plots dat ik huilde. Iets dat ik al sinds mijn jeugd niet meer had gedaan. Dit was waarom ik dit verhaal wilde schrijven. Omdat ik voor het eerst sinds de derde klas huilde.
‘O, dus we zijn alleen maar vermaak, iets om te onderzoeken?’ Mijn gezicht voelde aan als een opgedroogde sinaasappelschil die voor het eerst vochtig werd. Het huilen deed me pijn. Mijn woede deed me opleven.
‘Ach, het is niet meer dan een spel, met die vrienden van je. Ze wilden zo graag zien wat ze wilden zien. Mijn familie wacht bij de volgende melkweg. Adieu.’ Een spel. We zijn een spel voor een ding als dat!
‘Wacht even! De wetenschap is er blijkbaar nog niet uit, dus vraag ik het maar aan jou: wie of wat ben jij dan echt?’ Het gat lachte. Mijn tranen kwamen niet meer. mijn woede had alles opgedroogd.
‘Ik, of wij? Tja, wij zijn niets, helemaal niets!’
‘Heel erg grappig, hoor…’ Met een flits en een plof verdween het gat. Ik keek op mijn horloge, voelde de kater al op de deur rammen en besloot ook te gaan.



Nul
illustratie M.Ozymantra

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen