donderdag 26 januari 2012

Nirvana in Parijs

Omdat Maarten een vriend van me was en bovendien in dezelfde klas zat gaf ik nooit echt toe enigszins verliefd op hem te zijn. Misschien is verliefd wel een te groot woord. Aangetrokken, ja, dat heeft een betere klank. Dat ik enkel op meisjes wilde vallen speelde misschien mee in de ontkenning. Dat ik overigens maar geen meisje kon krijgen ook wel. Misschien was ik daardoor tragisch onzeker over mijn seksualiteit.

Onze klas was een paar dagen in Parijs en die dag in het Musee D’Orsay. We hadden genoten. Althans, Maarten en ik hadden genoten. Ik weet nog dat een aantal meiden het alleen maar over televisie hadden, dat twee andere vrienden de hele tijd in het café zaten en dat een ander boven bij de beelden foto’s van de stad maakte. Wat de rest deed wist ik niet.

Toen we klaar waren met het avondeten, in een restaurantje niet ver van het hotel waar de mandjes donkere wijn aan een balustrade vol tafeltjes hingen en Parijzenaren in witte overhemden en plooiende rokjes druk oreerden, gingen mijn vriend en ik niet met de klas terug naar de hotelkamers. We ontsnapten en kochten een fles wijn in het winkeltje tegenover het hotel. De verkoper werd bijna bedolven door plastic flesjes mineraalwater in allerlei smaken, zelfs in perzik, en door kranten vol van die exotische taal waar ik nauwelijks een woord van sprak. Maarten had Frans geleerd dankzij Comte de Lautréamont en Rimbaud. Er zat een fascinerende wrat aan de zijkant van zijn neusbrug van de verkoper waar een pluk haar uit stak. Ik gruwde van oneffenheden op huid en vroeg me af waarom hij deze liet zitten. Elk wratje en wondje, elke bobbel en onregelmatigheid op mijn lichaam, krabde ik tot deze weg was, een subtiel litteken achterlatend.

We hadden geen kurkentrekker en moesten de kurk de fles indrukken. Dat ging niet makkelijk. Maar dit was Parijs en in Parijs dronk men wijn. Bittere, zware wijn. Met de drank gewikkeld in een supermarkttas liepen we door de stad.

We waren als twee heldere lichten in de nacht, helderder dan alarmpijlen, geelwit brandend van het kunnen en het moeten, geen oog voor de rest, geen oor voor een ander dan de ander. We praatten. Over kunst. Over leven. Over het doel van kunst in het leven, in ons leven. Hij droeg een overhemd van zacht linnen, geruit als een Schotse kilt, in oker, groen en oranje. Ik droeg een zwart shirt en kaki corduroy broek. Onze gympen schoven geluidloos over de tegels van de Franse hoofdstad. Ik weet het, we hadden het over andere dingen moeten hebben. Vrouwen, auto’s of voetbal. Geld! Actie! Sport! Zoals gezonde mannen betaamt. Maar dat hield ons niet bezig. Nou ja, vrouwen natuurlijk wel, maar we waren nog steeds niet in staat een meisje aan ons te binden. In plaats van dat we ons daarvoor schaamden praatten we over de mislukte lang gekoesterde stille liefde en hoe dit koesteren ons uiteindelijk ten goede zou komen. We droomden, maar niet over iets dat we dachten te kunnen bereiken.
‘Het geeft ook eigenlijk zo weinig,’ zei ik. ‘Uiteindelijk stopt alles met draaien, zelfs de aarde.’ Maarten knikte bedachtzaam en keek om zich heen, naar de etalageruiten waarin onze lichamen werden gespiegeld.
‘Misschien moet ik het haar zeggen, vind je niet? Ik weet het niet,’ zei hij.
‘Zou het zo vreselijk zijn om te zien hoe de zon opzwelt en de aarde opvreet? Een rozerode bal aan de horizon die alsmaar groter wordt en de dagen steeds verder oprekt.’ Ik keek hem aan, maar hij keek voor zich uit. ‘Ik weet het niet….’ Ik keek omhoog en zwijmelde van het idee. Niets zou zo geweldig zijn… Waarom moesten we doodgaan en de kans op dat uitzicht missen?

Ik viel niet op hem omdat hij zo knap was, maar omdat hij zo ontspannen bewoog en soms plotseling iets floot, iets klassieks dat ik niet herkende. Soms begon hij zomaar te zingen. Iets van Neil Young of The Byrds. Zijn ziel was nauwelijks door de hunkering naar liefde aangetast.
‘Niks is ooit voor niks, Peter. Alles heeft een reden, ik weet het zeker.’ Ik knikte ja, maar huilde van binnen. Ik was zo bang dat hij gelijk had.

*

We wisten niet waar we waren toen de rennende mensen ons passeerden. Rechts voor ons lag een park. De weg was breed en ik kon niet goed uitmaken hoe het verkeer hoorde te gaan. Veel taxi’s, maar geen stopte er voor ons. Niet dat we daar om vroegen. Links was een metro met boven de ingang een krullende bronzen plantvorm en het woord Metropolitan. Ik wilde eigenlijk even stil staan om dit stukje authentiek Parijs dat we zo goed van onze boeken kenden in mij op te nemen, maar hij lette niet op. Hij keek naar de mensen en ik keek maar mee. We wandelden en keken naar de rennende mensen die bijna allemaal van Algerijnse of in ieder geval Noord-Afrikaanse afkomst waren. Gekleed in shirtjes met felle reclameboodschappen schreeuwden ze uit woede, maar ik kon de wanhoop horen. Ze waren ook maar alleen op deze wereld, zei ik tegen Maarten.
‘Ja, ze zijn bang voor het onbekende en weten geen andere manier dan geweld om ermee om te gaan.’ Ik riep geestdriftig ja ja ja! Maarten begreep mij! Het was zo’n plezier dat juist hij mij begreep!
‘Precies, ja, ze kunnen niet anders! Als ze maar even een stapje terug zouden nemen, als ze even zouden stoppen met rennen, dan zouden ze de angst in hun ogen herkennen.’
‘Ja! Alles dat ze nodig hebben is iemand die tussen hen in gaat staan, iemand die ze afleidt en een alternatief biedt. Het is stom om elkaar zo te haten.’
‘Wandelen is veel beter voor een rustige blik op de wereld.’ We kuierden verder. De jongeren om ons heen gilden het uit, maar het was niet te horen of het in Frans of Arabisch was. Op zulke momenten versmelten alle talen tot een enkele kreet. Wij waren ook opgewonden, maar dan van ons gelijk hebben, van ons elkaar herkennen. Wij zagen hier geen vijanden.

Ik wilde hem niet als vriendje. Stel je voor dat ik ook homo zou zijn. Zo saai. Iedereen was tegenwoordig homo. Ik wist niet wat het betekende om man te zijn, dus om van mannen te houden was een goede invulling van dat gevoel. Maar ik wilde hem aanraken. Ik wilde hem omhelzen en was daar niet voor uitgerust. Mijn opvoeding had de stap naar intimiteit gemist. Mijn ouders hadden me zover ik kon herinneren nooit omhelst.

Maarten wist het zeker, we hoefden ons enkel tussen hen in te plaatsen. Maarten straalde helemaal van de mogelijkheid om vrede te stichten en vuurde mij aan plaats te nemen tussen de vechtende partijen. Ik volgde gehoorzaam, vervuld van een zelden gevoeld optimisme. Natuurlijk gaat de wereld ten onder, maar laten we alsjeblieft in vrede leven. Dat was toch het enige wat we nodig hadden? De wilde mannen om ons heen trokken zich er niks van aan. Natuurlijk niet, dacht ik even en bestrafte me omdat ik hiermee ongeloof in ons gedeelde weten erkende. De wilde mannen waren intiem met elkaar als maden met de dood. Ze weken uiteen voor ons als golven voor een pier om achter ons weer tegen elkaar te klappen. Wonderwel werden wij niet in het geschreeuw betrokken. Het was alsof we gehuld waren in een onzichtbaar krachtveld.

Ze veranderden van richting. Althans, ze liepen niet meer in de richting die wij namen. Niet dat wij echt ergens naartoe gingen. Het was een dronken wandelen op zoek naar de goden van genot & avontuur. Het was een volgen van de woorden die dribbelden langs de palen van verstand & gevoel.

Plotseling was er nog maar één schreeuw te horen en die trok heel andere mensen aan dan zij die renden. Sterker, de ruziënde jongeren schoten allemaal een andere kant op, als kringen water die ontsnapten aan een steen. Wij gingen naar waar de steen was neergekomen, zij het dat ons praten gewoon doorging. Het praten van de daar verzamelde Fransen draaide als een kolkend geraas in staccato alarmfase.
‘Ik kan het me maar moeilijk voorstellen dat mensen zo zijn,’ zei Maarten.
‘Ja, als je ziet hoeveel we hebben, hoeveel kansen iedereen heeft, dan is het toch moeilijk te begrijpen.’
‘Kijk hier bijvoorbeeld,’ en we keken allebei, zonder werkelijk te zien.

Ik weet dat ik enkel voor mezelf kan spreken, maar ik geloof dat we niet goed begrepen wat er daar was gebeurd. Het moment dat we het wit van het vlees zagen met daarop het bloed als een kruipende kreeft in traag kokend water trok ik bleek weg. Het duizelde me. Het voelde alsof ik op het puntje van een hoge toren stond. Zo’n prachtig geornamenteerde Gotische kerktoren prangend in de hemel als een gil om God. Op maar één been, zelfs maar op de puntjes van mijn tenen als een balletdanser die met de engelen van de zwaartekracht een stuk uitvoerde. De kennis van wat daar was gebeurd sloeg met kracht toe. Een diepzeebom die mijn brein uit elkaar deed spatten en de binnenkant van mijn schedel bevuilde. Maar ik praatte door, ik bleef terloops en hij ook. Een gevoelig mens als Maarten zou eigenlijk niet blootgesteld moeten worden aan zo’n uitzicht. Ik voelde de behoefte als een oudere broer om hem te beschermen. Misschien was dat de reden van ons doorpraten. We weefden een schild van woorden en begrippen tegen de buitenwereld die we nauwelijks begrepen. Een krachtveld tegen de geesten van verval.
‘Oh, shit man, shit,’ zei hij, ‘zie je dat?’ Ik wilde niet dat hij het zag, maar ook niet de enige zijn met die herinnering. Ik moest hem beschermen, maar wilde iets hebben om over te praten. Tussen die jongens hadden wij gestaan! Maar ik zei dit niet tegen hem. Ik dacht altijd dat ik de dood beter kende dan hij, want mijn vader was aan kanker overleden en ik had nog enkel mijn oma’s. Later begreep ik dat zijn ziekte hem de dood te zeer had doen bevrienden.

De uitroepen van verwondering, afgrijzen en paniek in de vreemde taal, zo melodieus of het nou om politiek, liefde of aardappelen ging, gingen allemaal aan me voorbij. Maarten vroeg één van hen wat er was gebeurd, maar ik wist het antwoord. We hadden niet goed opgelet. We gingen wel tussen hen staan, maar waren achteloos. De hele wereld was achteloos. We hadden het kunnen voorkomen, maar omdat we zo met onszelf bezig waren zagen we het niet. Het mes lag iets verderop bij een putdeksel. Ik gruwde ervan en raapte het op. Niemand hoefde dit metaal nog te zien. Ik zou het bewaren als gedenkteken aan onze achteloosheid.

*

We zaten bij Fontaine des Innocents op steen dat een ronding vormde en bankjes. Overal lagen uitgetrapte en weggeschoten sigarettenpeuken. Bekertjes waren verplettert in de hoek gemoffeld, in felle kleuren schreeuwend om aandacht. Naast een vuilnisbak lag een week geworden zak met aangevreten patat en klodders glanzende mayonaise. De fontein klaterde van water dat door machines werd opgepompt en afgevoerd, telkens pogende de wolken te bereiken. Maarten vond het vreselijk.
‘In een stad kan toch niemand rust vinden,’ vroeg Maarten. Hij kwam uit een van die kleine dorpen rond het IJselmeer, waar het altijd zonnig was en de vlucht van wolken de meest spectaculaire gebeurtenis vormden. Daar lagen dorpjes waar men de fiets van het slot kon laten als men naar de bakker ging. Dorpjes waar vrouwen in lange rokken liepen en mannen opkeken van de witte huid daaronder. Dorpjes die elk jaar een kermis organiseerden welke onvermijdelijk tot vechtpartijen leidde tussen de jeugd van de verschillende dorpjes, maar waar men de rest van het jaar geen problemen mee had. Dorpjes waar de jeugd coke snoof om de verveling te verdrijven. Problemen, dat was iets van de grote stad. Hoelang Maarten ook op een school in de stad zou zitten, die dorpjes zouden zijn ziel nooit meer verlaten. Ik kwam uit een buitenwijk en voelde me hier helemaal thuis.
‘Je kan de stad ook zien als een grote vieze baarmoeder die veiligheid geeft,’ zei ik, ‘en ons verzorgt. Er is hier weinig ruimte voor de grote machten van het weer en de chaos. Dit is de mensenwereld.’

Ik had nog wat wiet over, maar geen vloeipapier. Eerder op de avond had een Parijzenaar ons een sigaret gegeven. Zo ging dat in deze stad. Als iemand je vroeg om een sigaret en je had deze dan gaf je die. Een echte rokersstad. Ik vond roken vies en Maarten ook, maar drugs zoals wiet en hasj vonden we lekker en bovendien noodzakelijk. Zonder drugs voelden we ons geen kunstenaars. Zonder drugs waren we net als de rest van onze klasgenoten: heel vlijtig op weg naar een nuttig bestaan als vormgever of zoiets. We wilden de hele wereld, niet maar een stukje. Als je geen vloeipapier had werd het maken van een joint lastig, maar niet onmogelijk. Ik wreef de sigaret tussen mijn vingers tot alle tabak en de filter eruit waren. Daarna voegde ik een zelfgemaakte filter in van een kartonnetje gescheurd van een sigarettendoosje. Ik korrelde de wiet, mengde deze met de tabak en deed alles terug in de sigaret. Het leek zo net op alle andere sigaretten. Terwijl ik dit deed praatten we natuurlijk gewoon door. Rollen was niet iets waar ik erg op hoefde te concentreren.

Maartens lippen waren donker van de wijn. Ik voelde mijn droge lippen. Hoe zou het zijn om een man te kussen?
‘Als we op zo verder gaan met onze kunst kunnen we misschien iets waardevols voor de wereld betekenen,’ zei hij. Maarten was vol hoop over de positieve kracht van kunst. Hij had het in werking gezien bij zijn voorbeelden Rimbaud en Baudelaire die hele volksstammen op het juiste spoor hadden gezet. Hij las Benjamin en Nietsche en was ervan overtuigd dat onze nieuwe wereld een nieuwe ziel nodig had. Hoewel hij een afschuw had van al het moderne vond hij dat dit moderne een nieuwe inspiratie nodig had, telkens weer en dat elke generatie kunstenaars haar steentje daaraan kon, nee, moest bijdragen. Samenwerken, zoals de Cobra-groep had gedaan, dat was zijn ideaal. Hij wilde een nieuwe stroming van bevriende kunstenaars om het ideaal uit te dragen. Ik wilde ergens bijhoren.
‘Maar voordat de mensen naar ons luisteren moeten we iets bijzonders maken, Maarten, ik weet niet of ik dat kan.’ Ik stond op met de ‘geladen’ sigaret in de hand. ‘Ik weet ondertussen dat ik graag in plexiglas zou werken, maar wat wil ik vertellen? Het spul is zo mooi, ik zou er een blok van in het museum willen zetten, gewoon zo, ongepolijst, met misschien de sporen van een zaag erin. Ik weet het niet.’
‘Stop er dan iets in! Een pamflet, een tampon, voedselbonnen uit de Tweede Wereldoorlog! Het is zo makkelijk ergens betekenis aan te geven…’
‘Ja, maar ik weet niet of ik wel iets te zeggen heb. Misschien wel niks.’
‘Oh, dat geloof ik niet, nee! En al onze gesprekken dan?’
‘Ik weet het niet…’

Zonder dat we het echt merkten dat hij naderde stond er een man met smoezelige regenjas naast mij. Hij sprak ons in Frans aan dat zelfs voor Maarten te snel was, of misschien sprak hij een dialect. We reageerden aarzelend in het Engels. Zijn lange haar krulde vettig tegen de nek. Hij deed me denken aan een zwerver die ik vaak in Amsterdam had gezien.
‘Heb je een sigaretje voor mij,’ vroeg hij, nu in korzelig gebroken Engels.
‘Nee, sorry.’ De wijn dwaalde nog door mijn bloedstroom.
‘Wat, wil je me geen sigaret geven?’ Hij stapte vervaarlijk dicht tegen me aan. Maarten stapte ook nader.
‘We hebben echt geen sigaretten voor je,’ riep hij. De man pakte me bij mijn shirt en staarde woedend.
‘Als je me geen sigaret geeft dan…’ Ik volgde zijn ogen, die snel naar beneden flitsten, naar de bobbel in zijn jaszak waar hij zijn hand had. Was dat een pistool? Ik reikte naar het mes. Ik was absoluut niet van plan onze laatste sigaret met daarin onze laatste wiet af te geven. We stonden heel dicht bij elkaar. Zo dicht dat ik zijn zweet kon ruiken. Misschien moest ik hem teder aanraken. Mijn hand sloot om het mes.
‘Geef me een sigaret!’
‘Maar die hebben we van iemand anders gekregen,’ riep Maarten. De man keek hem scherp aan. Hij likte de lippen en liet me los.
‘Oh, sorry.’ Hij nam afstand, gebruikte twee handen om mijn shirt weer recht te trekken en groette vriendelijk bij het weggaan. De ‘Au revoir’ begreep ik nog wel. Ik keek Maarten verbaasd aan. Hij grinnikte.
‘Ga je die nog aansteken?’
‘Ik was echt niet van plan onze joint aan hem te geven, man! Zag je wat hij in zijn zak had?’ Dat had Maarten niet gezien en toen ik het vertelde schrok hij toch een beetje. We moesten hard lachen.

*

Als ik het uitzicht op Parijs vanaf de Montmartre moet beschrijven aan iemand die het nooit heeft gezien, een uitzicht bij nacht wel te verstaan, dan vertel ik dat het is als een Perzisch tapijt van de fijnste duistere draden met miljoenen edelstenen van elke soort in vrolijke geometrische rijen. Geen pasja zou dit werkstuk kunnen betalen met alle rijkdom van Mekka en Kaboel tezamen.
Achter ons stond de basiliek van de Sacré Coeur, een prachtige witte tempel voor De Ene God en daarachter lag de vuige buurt waar ons hotelletje tussen friettenten en hoerenkasten zat ingebed. We gingen hier elke avond naartoe, met of zonder klas, maar deze nacht waren we er wel heel laat. Over een uur zou de zon haar eerste stralen laten zien. Behalve wij waren er geen toeristen. Iedereen die er aanwezig was, een enkele Afrikaan en twee clochards, waren mensen die van deze bergheuvel hun thuis hadden gemaakt. Ik was zo moe dat ik met de clochards zou willen liggen, op een kartonnen doos, tussen de struiken of boven een metrorooster. Ik wilde tegen Maarten aanliggen en in slaap sukkelen, maar hij bleef praten en ik moest het toegeven dat ik eigenlijk ook niet wilde slapen. Het mes in mijn broekzak stak een beetje in mijn dij. De herinnering aan de dode Algerijn op straat stak in mijn brein.
‘Lucebert werkte in de oorlog aan zijn poëzie als een smid aan een zwaard. Hij bleef de woorden maar tegen elkaar slaan tot ze een lezer konden opensnijden. Vaak als een zwerver op een bankje, half ijlend van de honger. Natuurlijk had Rimbaud de profetische verdwazing al in de taal losgelaten en anderen na hem droegen ook hun steentje bij, maar Lucebert stond voor een hele nieuwe taak…’

Ik begreep poëzie niet. Ik dacht dat ik er misschien teveel over nadacht. Waarom zou je een paar vage zinnen onder elkaar op een pagina zetten als je het ook gewoon helder kon uitschrijven? Ik begreep poëzie niet. Woorden die stapelen en betekenissen zouden toelaten die anders niet mogelijk waren. Ja, ik had gelezen over poëzie en ik luisterde graag naar Maarten, maar misschien was ik te visueel. Misschien praatte ik gewoon teveel en raakte zodoende de kracht van de woorden kwijt. Maar daar had hij geen last van. Ik probeerde aan te haken met iets dat ik wel begreep.
‘Je bedoelt dat het een beetje is zoals Lou Reed op een gegeven moment deed met zijn muziek deed?’
‘Ja, zoiets. Maar met muziek ... Klank laat zich horen, maar wordt nooit echt ... Beeld kan … en woorden … eigenlijk al abstract. Pas als je ze tegen elkaar zet gaan ze werken.’ Ik kon hem eigenlijk niet meer volgen. Van honger of vermoeidheid viel mijn hoofd dicht. Ik pakte een stokbrood en brak wat voor hem af. Waarom konden we hier niet gewoon arm in arm zitten, stil wachtend op de zonsopkomst? Ik was te moe om de kruimels van mijn broek te vegen. We hadden zelfs nog een stuk Edammer. De wereld moest dood.
‘We zouden eigenlijk nog een paar dagen hier moeten blijven,’ zei ik. ‘Dinsdag komt Nirvana in Parijs.’
‘Te gek,’ riep hij. ‘Jammer dat we morgen weg moeten.’
‘Verdomme, ik zou Cobain eens in het echt willen zien. Hij gaat hier door dezelfde straten lopen als wij hebben gedaan en ook Rimbaud. Die plek waar die gast is omgestoken. Misschien komt Cobain daar ook langs. De geschiedenis is een straat van bloed.’
‘Oh, prachtige zin!’ Ik schrok. Wat bedoelde hij? ‘De geschiedenis is een straat van bloed… geweldig. Wacht even, laat me die opschrijven.’ Hij pakte een boekje tevoorschijn. Ik had hem geraakt, maar niet met het scherp van een lemmet. Ik had hem geraakt met de klank van woorden. Het veroorzaakte een plezierige warmte. God, ik zou toch geen homo zijn?
‘Ik bedoel dat Rimbaud daar ook gelopen moet hebben en toen is er vast… Ik bedoel, er is vast geen plekje in Parijs waar niet iemand is overleden. En dat hoor ik in die teksten, in die gruizige schreeuw…’
‘Maar, weet je, die straat is de mensheid en dat bloed is ons bloed, ons hart, en daar vallen we allemaal in samen,’ zei hij
‘Toen ik hem voor het eerst hoorde was het als een openbaring. Dat mensen zo’n kabaal konden maken en toch zo diep mijn gevoel konden raken.’
‘Ja! En uiteindelijk stijgen we boven ons uit, maar alleen als we dat beseffen, als we ons daar voor open durven stellen!’
‘En daarom zou ik Nirvana graag zien,’ riep ik.
‘En dat is de manier om nirvana te bereiken,’ riep hij. Het duurde even voor we het door hadden. We keken elkaar verbaast aan. We proestten het uit. Ik legde het mes stiekem weg, een treetje hoger dan ons.

Een oranje waaier van licht ging de zon voor. Bussen en metro’s waren in de verte te horen. De stad werd langzaam wakker.
‘Shit, man, hadden we nog maar sigaretten... en wijn,’ zei ik.
‘Amen, Peter. Amen!’
‘Het zal vast niet lang duren voor de winkels open gaan.’
‘Ben je dan ook niet moe,’ vroeg Maarten.
‘Doodmoe, man, doodmoe.’ Ik keek hem aan en hij lachte terug. Zijn altijd guitige lachje. Dit was de hemel voor hem en eerlijk gezegd voelde dat voor mij ook zo. Zulke vermoeidheid, zulk verlangen naar een ander, naar drank, naar sigaretten, naar de wereldliefde, had mijn zintuigen op scherp gezet, had mijn geest in een nieuwe realiteit doen belanden. Ja, inderdaad, ik was moe, maar wat deed dat ertoe! Dit was het leven zoals onze helden hadden geleid. Dit waren de straten waar ze hadden gelopen! We giechelden.
‘Fuck dat,’ riep Maarten.
‘Yeah! Fuck dat, man!’ En ik zwaaide mijn vuist naar de opkomende zon. ‘Leven!’ Maarten begon een onherkenbaar deuntje te fluiten. Ik keek even om, en zag dat het mes al was verdwenen. Een man op versleten slippers verzamelde verderop lege blikjes en flessen in een grote tas.


Le Sacre Coeur a nuit
illustratie M. Ozymantra

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen