vrijdag 30 maart 2012

De Benzinepompbediende

Het is maar goed dat er tussen ons een plaat glas van vijf centimeter zit. De meeste mensen zien enkel mijn handen hun spullen pakken en scannen. Ik kijk hoe mijn reflectie mengt met hun aanwezigheid. Ik kijk naar de cijfers op mijn computer. Ze zijn zo mooi en precies dat je bijna zou vergeten dat het om geld gaat. Ik heb geleerd de cijfers kalm en vriendelijk uit te spreken. Ik heb geleerd alstublieft en dank u wel te zeggen. Dit zijn belangrijke kwaliteiten in mijn werk. Mijn wereld is een grijs soort van licht dat valt op alles dat ik aanraak. Mijn collega lacht veel en praat over zijn vrienden. Ik knik op de juiste momenten. Zulke dingen horen bij mijn werk.
“Alstublieft… Dank u wel.” De baas spreekt ons spottend toe als we niet lachend op werk komen. Alsof er zoveel te lachen valt op werk. Terwijl ik klanten help denk ik aan leuke dingen. Mijn modeltreintjes of aan vakantie nemen. De streepjescodes piepen geruststellend hun prijzen. Ik probeer me niets aan te trekken van de terloopse blikken op mijn hand.

Het behoeft geen woorden om uit te drukken hoe klanten met elkaar versmelten naarmate de avond vordert. Twee diensten op een dag is echt teveel.
“Pomp vier.”
“Vijfendertig tachtig alstublieft.” Ze weet nauwelijks hoe ze het geld aan me moet geven. In het bovenste laatje, mevrouw, dat is goed. Ja, ze komt waarschijnlijk al duizend jaar op plekken als deze en nog steeds weet ze niet wanneer het moment is om de portemonnee te openen. Nog steeds schrikt ze van actie. Nog steeds rommelt ze de munten onbeholpen op de grond, waarbij andere klanten haar moeten helpen. Ik glimlach er al niet meer om. Al duizend jaar komt ze hier benzine halen en nog steeds weet ze niet hoe het moet. Juist ja, meneer, u legt het snoep onder de lade, nee, niet op de lade. Niet op! Al die mensen die hun snoep op de lade leggen. Zo’n prachtig bedacht systeem en iedereen legt zijn snoep OP de lade. Ik denk aan een nieuw aan te leggen treinspoor.
“Piep!”
“Drie vierentwintig alstublieft.” Natuurlijk kunt u het pinnen. De kaart andersom. Hij doet de kaart andersom andersom en dus weer verkeerd. In gedachten ben ik bezig met een reis naar Sussex. Het maakt niet uit waar naartoe, want genoeg geld heb ik niet. Nog een keer de kaart erdoor meneer, u heeft te lang gewacht met ja zeggen. In gedachten denk ik aan die locomotief uit 1976 die ik graag wil kopen.

Het beste moment van de dag is als ik naar huis ga. In het midden van de nacht als de straten gloeien in amber lantaarnlicht, wanneer de bouwlampen het beton blauwig doen schijnen, wanneer het staal zich op zijn koelst doet lijken. Het maakt niet zoveel uit dat ik klaar ben omdat ik het werk zat ben. Het gaat om dat stukje lopen van hier naar huis, langs de ramen met inkijkjes naar andere dimensies. Het gaat om de stilte op de grauwe straat die enkel onderbroken wordt door een vermoeide fietser of een te snel rijdende auto.
“Piep!” Ik denk na over een bepaalde bocht bij een spooremplacement. Het voelt nog niet natuurlijk genoeg.
“143 euro twintig, alstublieft.”
“Voor een pakje sigaretten? Ben je maf geworden?” De vrouw tegenover me, aan de andere kant van het glas, zwemt mijn zicht binnen. Haar glazen ogen en glazen haren zijn uit een dun grijs gebeeldhouwd. De machine leest toch echt 376,30. Dan maar opnieuw.
“Piep!” Twaalf euro. Dat is nog steeds te veel. Ik heb echt geen zin de code met de hand in te voeren, maar ik doe het wel. Ik heb er een hekel aan hoe mijn collega soms geen rekening houdt met de klanten. Ook al zijn ze misschien niet meer dan schimmen achter glas, je moet wel rekening met ze houden. Dat moet echt altijd. Het zijn ook maar mensen, zeg ik dan. Ik scan een ander product en daar komt de prijs wel goed uit. Het zijn ook maar mensen…
“Mevrouw, ik pak even een nieuw pakje. De barcode is waarschijnlijk kapot.” Ook deze prijs verkeerd gaat. Het voelt alsof ik aan het vallen ben. Mijn collega staart geërgerd. Zo vanuit de ooghoeken met opgetrokken wenkbrauwen. Hij is ondertussen wel gewend aan mijn hand, maar ik zie het altijd als men kijkt, al is het nog zo vluchtig. Twee vingers zijn afgeknot bij de knokkel, een stomp hard vlees. Het gebeurde in de zesde klas tijdens handenarbeid. Het is mijn Kainsteken en ik kan er niet van los komen. Geluk zal mij niet achtervolgen.

De vrouw beweegt ongeduldig. Ik haal pakje voor pakje langs het apparaat. De stapel van afgewezen rookwaar begint een muur tussen mijn collega en ik te vormen.
“Man, wat ben je nou aan het doen?” Ik kijk naar haar zonder hem te antwoorden. Ondanks de zure blik ziet ze er best aantrekkelijk uit, met het wollige donkere haar en de flitsend grijze ogen.
“Mevrouw, er schijnt wat mis te zijn met of dit apparaat of dit merk sigaretten. Kunt u misschien een ander merk nemen?” Stuurs geeft ze toe ook wel eens Camel Light te roken.
“Piep!” 4623 euro’s! Wat is hier aan de hand? Ze kijkt nog steeds ongeduldig, maar nu zie ik de zachte onzekere oogopslag. Ik kan haar ook gewoon het geld vragen. Tenslotte is het maar vier euro. Dan reken ik het met de hand af. Ongewild moet ze lachen. De glimlach van een meisje. Wat is ze leuk. Hoe kan ik haar uitvragen? Punt één weet ik niet welke woorden te zeggen en punt twee ga ik vast stamelen als een betrapte potloodventer.
“Hé, je moet het inscannen, hoor… Anders hebben we een tekort.” Mijn collega moet zich er weer mee bemoeien. Ze kijkt op, terwijl ze het geld in het bakje legt.
“Is het nog niet goed?” Hoe kan ik haar uitvragen als al die mensen om ons heen staan? Er heeft een kleine rij gevormd. Straks zegt ze nee en… Verdomme. Ik typ het bedrag in. Zeven euro en een half. Dat kan gewoon niet. Ik typ het nogmaals in. Nogmaals fout. Ze kijkt naar mijn vingerstomp. Ik kan voelen dat ze kijkt naar mijn vingerstomp. Opkijkend zie ik haar verveeld naar de chocolade kijken.
“Weet je, doe er maar een Mars bij.” Gelukkig, ja, gelukkig, nog even respijt. Haar ogen zijn groot en grijs, met lome wimpers, die haar op een hond doen lijken. Ik zou haar zo graag willen laten lachen. Het zou alles goedmaken.
“Eén chocoladereep om de liefde op te wekken!”
“Piep!” Ze lacht moeizaam. Weet ze dan niet dat er een stofje in chocolade zit dat vrijwel gelijk is aan het stofje dat bij verliefdheid vrijkomt? De Mars wil ook geen gewone prijs geven. Drie euro negen en zeventig.

Ik gebaar naar mijn collega. Hij haalt zijn schouders afwerend op, maar komt toch. Ik leg hem uit wat er gebeurt en vraag of hij haar wil helpen. Misschien, om de een of andere vreemde reden, ligt het aan mij. Misschien doe ik iets fout. Misschien is het mijn stomp. Spottend accepteert hij. Ik was toch al een watje in zijn ogen.
“Piep!” Op de een of andere manier is het verdraaid klote als de prijs er nu wel goed uitkomt.
“3432 euro? What the fuck?” Het ongeduld op haar zachte gezicht wordt van steen. Ze kijkt naar de andere klanten. Merken die dat ze rood van woede begint te worden? Het blosje staat haar. Zou ze er tijdens seks ook zo uitzien? Ik moet grinniken om de beteuterde blik van mijn collega.
“Oké, dit wordt te gek,” roept ze, “ik weet niet wat jullie met mij moeten, maar laat maar!” Ze draait zich woest om. Het haar zwiept op. Haar kont is prettig om naar te kijken zoals haar benen er beweging in brengen. Ik reik naar haar, maar stoot mijn hand tegen het glas. Het stompje voelt niets. De elektrische zaag van handenarbeid. Al weer jaren geleden.
“Hé, man, laat maar. Volgende klant. Nog een uur te gaan.” Eindelijk zegt mijn collega iets verstandigs. Nog maar een uur te gaan, inderdaad.

Als ze de deur dichtslaat, valt de stroom uit. Alles duister. Men moppert opgewonden. De scanner is dood, de klanten zijn plotseling vergeten dat ze iets moeten betalen en ik ben het ook zat. Door het raampje zie ik dat ons gedeelte van de stad zwelgt in duisternis. Niets anders geeft licht dan de volle maan en enkele wolken. Een zacht onwerkelijk licht, dat al miljoenen jaren de wereld in toverachtige schijn zet. Het duister van de stad is zoveel groter dan het duister rond de maan. Misschien heb ik nog kaarsen in huis. Het is tijd om naar huis te gaan. O, ja, het is zeker tijd om naar huis te gaan. Al er geen stroom is kan ik altijd nog een nieuw spoor aanleggen.


De benzinepompbediende
illustratie M. Ozymantra

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen