donderdag 22 maart 2012

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 6

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel worden verteld over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.


Lules en Jules de eksters sprongen onregelmatig op. Ze schreeuwden iets, gilden wat, maar Alfred kon ze niet volgen. Zijn kopje bewoog met hun bewegingen, maar als hij niet de klauwen in de boomstam zou slaan kon hij geen pakken. En ook dat had geen zin. Niet dat hij dit bewust beredeneerde. Het was zo. De paden van actie waren als gegriffeld in het steen van de eeuwigheid. Elke mogelijk lag vast en hij had niet eens de illusie van een vrije wil. Hij had alleen de illusie van plezier of verdriet. Alweer bedacht hij zich hoe nuttig het zou zijn Eksterig te leren. Plotseling begon Kraai tegen hem te praten. Natuurlijk wisten ze beide dat dit zou gebeuren.
‘Stagroot is niet alleen groot en hoog, maar ook rijk en vol. De daken reiken naar de hemel, al reiken ze niet zo ver als wij Kraaien. Mens loopt ertussen als een mier tussen zijn medemieren. Mens is een dier dat denkt niet te bewegen als andere dieren. Ze zijn grappig.’ Alfred luistert geboeid en ook de eksters zijn nu stil. Kraai is natuurlijk niet de enige kraai in de buurt, maar wel de wijste. Iedereen luisterde altijd naar Kraai, zelfs de honden die eigenlijk alleen naar mensen luisteren. Niemand had veel op met honden, maar volgens Kraai moesten de andere dieren aardig zijn voor ze. Honden waren de verkenners voor de rest.
‘Maar waar passen wij hier in,’ vroeg Alfred. ‘Wat zijn wij voor de mensen?’ Het was een vraag die menig dier zich stelde. De mensen bewogen hoogst eigenaardige en ongemakkelijke paden. Ze liepen iedereen in de weg en hielden zich niet aan voorbestemde patronen. Het was vooral verwarrend voor lopende dieren. De vliegers wisten hun eigen weg wel te vinden. Zoals gewoonlijk antwoordde Kraai de vraag niet. Het maakte Alfred weinig uit. Een vraag zoals dat kwam dan wel steeds terug, maar de nood om aan een antwoord te hangen was nauwelijks aanwezig. De zon was te mooi.

Alfred kroop om een vergeten slof heen als om een gigantische muis. Hij draaide zich driemaal om, de slof meetrekkend. In verbeelding was de nek van de muis gebroken en kon hij eten. Zand bleef in zijn vacht zitten. Hij sprong geërgerd op en schudde het af. Met het zand sprongen enkele insecten in het schitterende zonlicht. Alfred keek toe alsof juwelen vleugels hadden gekregen. De wereld was als een helder verlichte diamant in zijn ogen.




50 x 65
inkt op papier
M.Ozymantra

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen