zaterdag 3 maart 2012

Sleutelbos

November was bijna afgelopen toen Mathieu zijn sleutelbos op het grasveld verloor. De maand zelf dobberde ergens aan het eind van de vorige eeuw, in een donker en koud decennium. Stefan en hij hadden de hele avond port gedronken die ze in de kruipruimte van Stefans buren vonden. Tot hun grote plezier bleken alle kruipruimtes onder het gebouw met elkaar verbonden. Bij het schenken was het alsof er geronnen bloed uit de fles gulpte. De drank had een gedistingeerde smaak die deed denken aan Middeleeuwse landerijen. Natuurlijk was het een ordinaire diefstal, geen vondst. Ze waren nogal in hun nopjes geweest met hun mazzel.

Stefan had lang vet haar, droeg een spijkerjack met heavymetalbuttons en rookte meestal shag. Ondanks dat hij zich zelden schoor wilde er geen baard komen. Zijn militaire laarzen hadden vuilwitte veters. Net als Mathieu droeg zijn huid de ongezond bleke kleur van holbewoners. Mathieu droeg bijna altijd een shirt dat nauwelijks over zijn buik kon worden getrokken. Zijn rossige krulletjes zaten elke dag anders, vooral omdat hij weigerde zich na het douchen te kammen. Zijn gympen vertoonden slijtageplekken die soms de groezelige sok lieten zien.

Ze speelden tijdens het drinken een racespel op Stefans computer. De kleurige pixels stormden in grote blokken van zwart en wit, van geel en kaki, van groen en ceruleumblauw op ze af. De kamer hing vol met een veile tabaksrook. Het was er als altijd muf en riekte naar verschaalt bier, oud zweet en sigaretten. Stefan liet zijn moeder nooit in de kamer en maakte zelf niet schoon. Hij zag de troep en viezigheid allang niet meer. Het zou vele jaren duren voor hij de geur van een bloembed kon waarderen.

Het was zo’n avond dat het Nederlandse voetbalteam de kans had om door te gaan naar de volgende ronde. Ondanks het enthousiasme en de hoop was het nog niet de tijd van overdreven oranjeliefde. Maar hier en daar zag men een vlaggetje in de koninklijke kleur. Mathieu en Stefan interesseerden zich niet voor voetbal. Ze waren bezig met strips, computerspelletjes en sciencefictionschrijvers. En playboys. Het stoorde hen dat er mensen bestonden die zo fanatiek over sport konden zijn.

Toen de twee flessen bijna op waren, Stefan wilde het bodempje van de laatste bewaren, strompelden ze naar buiten. Stefan was de hele tijd druk zijn haar uit zijn gezicht te halen. Mathieu krabde constant aan zijn buik. Er was niets om naar toe te gaan, behalve het aanzienlijk stuk verder gelegen Hilversum. Ze konden toch de aandrang niet weerstaan. Dan zouden ze maar naar Hilversum gaan! Daar zouden ze als mafkezen dansen in de disco! Ze joelden van vrolijkheid, maar het klonk als het huilen van wolven. Ze discussieerden over of reizen naar de sterren werkelijk mogelijk zou zijn. Het ging meer om de overtuiging waarmee ze hun punt konden maken dan over de argumenten.

Er reden geen bussen meer, dus wat zou er beter zijn dan op de fiets naar Hilversum, riep Mathieu. En wat zou er beter zijn dan gewoon op de fiets te springen om in willekeurig welke richting te rijden, riep Stefan. Dwaas als dronken brulapen hingen ze tegen elkaar, half struikelend over hun voeten.

Ze wilden zoveel, maar voelden zich niet genoopt er de moeite voor te doen. Hun ouders waren nog steeds in de greep van de Tweede Wereldoorlog, het motiveerde al hun daden en al hun idealen, maar hen kon het weinig schelen. Voor Stefan en Mathieu was de oorlog een avontuur van televisie, een wereld van woorden waarin hun ouders waren verdwaald. En dat terwijl het universum eeuwig zou blijven uitdijen, zonder einde, zonder punt, zo wisten de beide jongens zeker.

Stefan sprong vrolijk op zijn fiets. Zijn in gymp gevatte voet vloog onbeheerst over de bagagedrager en het zadel. Even balanceerde hij om viel vervolgens door te glijden. Hij had het pedaal aan de andere kant volledig gemist. Zijn haar zwierde als een trieste vlag. Mathieu’s harde lach schudde zijn volle pens. Hij sloeg op zijn been als een slecht getekend stripfiguur. De verbouwereerde Stefan kroop moeizaam onder het ijzer uit. Hij liep om de fiets en wierp het been er weer overheen. Weer miste hij en viel met een doffe klap op de grond. Nu moest hij zo gieren van de lach dat het pijn deed aan zijn buik.
‘Misschien moeten we maar gaan lopen,’ zei Mathieu. ‘Doet het pijn?’ Stefan voelde aan zijn rug.
‘Enigszins.’

Buiten de bebouwde kom waren nog nauwelijks lantaarnpalen. Hun hese bleke licht schuurden tegen het donker van het onbekende aan. Dat wat buiten de bebouwde kom lag: een wildernis. Uit de bebouwde kom kwam luid gejoel. Ze keken elkaar verrast aan. Plotseling was er ook gejoel aan de andere kant van het donker. Daar was een berm van zwarte bomen en struiken, met erachter grauw gras en slootjes. Helemaal aan de andere kant van het donker lag een andere wijk, waarvan ze de warme vierkantjes huiselijk geluk nog net konden onderscheiden. Het viel op dat het gejoel zich door de wijken heen verplaatste.

Aangezien ze dronken waren en weinig aansluiting tot de normale wereld hadden konden ze met geen mogelijkheid bepalen wat de reden van deze jolijt was. Of was het wel jolijt, want het klonk onheilsspellend. Het was alsof een indianenstam had gemerkt dat hun gebied was binnengedrongen. Ze begonnen zich indringers te voelen. Ze bleven brutaal luid praten, maar hun handen voelden klam en ze ademden zwaar.
‘We gaan Hilversum niet meer halen, hè,’ zei Mathieu, gelaten aan zijn buik krabbend.
‘Nee, dat wordt niks meer,’ antwoordde Stefan, die als een hond zijn haar naar achter zwiepte.

Ze liepen nog enkele honderden meters toen ze het gerinkel hoorden. Dit werd gevolgd door doffe stemmen en voetstappen. Nog steeds was het duister alom aanwezig, behalve waar de lantaarnpalen als onaantastbare ijspegels straalden. Ze zagen dat het licht met kleine pauzes onderbroken werd door schaduwen. Een kluwen van beweging kwam hun kant op. Even voelden ze een diepe primaire angst. De oermens zou zich ook zo gevoeld moeten hebben, in diep van de nacht. Niettemin realiseerden ze zich al snel dat ze hier in een buitenwijk waren en dat deze plek gevuld was met beschaafde Nederlanders. Er leefden nog nauwelijks “allochtonen” in het dorp. Er was niets om bang voor te zijn.

Niet geheel overtuigt van hun redenering besloten ze ruim baan te geven aan de groep. Ze liepen naar de zijkant van het pad. Hun tegenliggers spraken luid, droegen flesjes bier en kettingsloten. Ze zagen rood in het gezicht, een rood dat scherp oplichtte in de nacht. Ze keken minachtend naar Stefan en Mathieu, die vriendelijk groetten. Zo waren ze opgevoed, om vriendelijk te groeten. De groep mompelde onduidelijk. Toen ze elkaar gepasseerd waren kon Mathieu het niet laten iets te roepen.
‘Groeten we tegenwoordig niet meer?’ De groep bleef doorlopen, maar het was net alsof ze aan een elastiekje zaten. Onder opgewonden geroep trokken ze langzaam naar achter naar de twee jongens toe. De kettingsloten rinkelden harder. Mathieu en Stefan keken elkaar aan en knikten.
‘Misschien is het een goed idee om spoed te maken?’ Mathieu voelde boosheid, maar achtte de woorden van zijn vriend verstandig. Al had hij niks op met rennen, want daar werd hij zo moe van en ging dan zweten.

Na een tijd te hebben gerend hadden ze het idee het tuig te zijn kwijtgeraakt. Hoewel ze de buurt kenden zag alles er in de nacht anders uit, zeker met een slokje op, zodat ze niet wisten waren ze waren. Ze waren beide geboren in echte oude stadjes, Stefan in Naarden, Mathieu in Hilversum, dus die nieuwbouw waar hun ouders zo verliefd op waren kwam op hun eentonig en zielloos over. De ene hoek die ze om gingen leek net zoveel op de volgende, net als dat het ene slootje dat ze oversprongen leek op degene die ze daarna ontweken. Dat slootjespringen leverde Mathieu natte voeten op, maar goed, dan moest hij ook maar eens afvallen, smaalde Stefan. Mathieu klaagde dat hij nooit zo goed in sport was geweest. Hij had er meer plezier in een hele doos ingevroren frikadellen te bakken in een pan met olie en met ketchup en mayonaise op te eten. Stefan was hier ook niet vies van, maar hij deed aan handbal. Al was het wel dat hij teveel rookte.

Zwaar steunend tegen een hek verweten ze elkaar van alles en nog wat. Achter het hek lag een grasveld, omsingelt door struiken en bomen. Het was als zovele velden in de buitenwijk bedoeld voor spelende kinderen en poepende honden. De natuur rónd de wijk was niet genoeg.
‘Man, ik wil effe zitten,’ zei Mathieu en Stefan deelde dat gevoel ruimhartig.

Zonder reden van uitleg hadden ze behoefte aan privacy. Mathieu ging in het midden van het veld liggen, Stefan iets verderop, waar er minder struiken stonden. Af en toe riepen ze iets.
‘Man, wat was die port lekker,’ riep Mathieu
‘Die idioten die achter ons aanzaten waren natuurlijk voetbalfans,’ riep Stefan.
‘God, ja! Mijn reet bevriest!’ Mathieu had geen benul waar Stefan aan lag te denken. Het zou iets met zijn nieuwe baan te maken kunnen hebben, maar evengoed over zijn familie. Stefan had een nogal aparte familie. En hij ging bij de Mac in Bussum werken. Mathieu dacht zelden aan wat zijn vriend zou kunnen interesseren. Eigenlijk ging hij ervan uit dat het hetzelfde was als hij aangezien ze van dezelfde dingen hielden. Eigenlijk dacht hij zelden over waar wie dan ook anders dan hem aan dacht.

Hij liet zich bedwelmen door de heldere hemel, waar overigens nooit een Melkweg te zien was. Daarvoor was er teveel lichtvervuiling, had hij gelezen. Hij dacht ook aan Rowena, een meisje bij hem in de klas, en aan Madonna en Sigourney Weaver. Mathieu was geil en deed wat hij altijd deed, als er de kans voor was. Het was spannend, met zijn vriend een paar meter verderop. Terwijl hij bezig was keek hij soms schichtig met toegeknepen ogen op, maar zag niets veranderen aan Stefans houding. Deze bleef roepen.
‘Volgens mij gaat George Lucas nooit meer een vervolg maken!’
‘Maar nog zes films te gaan!’ Als Stefan echt had geluisterd, had hij geweten waar zijn vriend aan dacht.

Mathieu was nog steeds maagd en vreselijk gefrustreerd. Altijd als hij een meisje leuk vond begon hij te stamelen en voelde zich vuil in haar aanwezigheid. Stefan had ook geen vriendin. De aanwezigheid van zijn vriend was vreemd opwindend. Niet omdat hij homoseksuele neigingen had, maar omdat het idee betrapt te worden best geil was. Hij was er vrij zeker van geen homofiel te zijn.

Het zoeken naar zijn hoogtepunt duurde niet zo lang. Hij was snel opgewonden en snel tevreden. Het klaarkomen moest wel gecontroleerd gebeuren. Hij wilde niet dat het sperma op zijn kleding kwam. Het trucje dat hij ervoor had ontwikkeld was het afknijpen van de voorhuid, zodat alles binnenin kwam. Dit was niet het prettigste orgasme, maar het kon soms niet worden vermeden. Lastig bleef hoe hij het vervolgens weg moest krijgen. Hij had geen zin het in zijn onderbroek te laten. Gelukkig was er genoeg gras.

Stefan zei niets meer. Mathieu keek, maar zag niet of de ander ook masturbeerde. Misschien was hij wel in slaap gevallen. Mathieu voelde zich vies en ontspannen. Hij voelde eindelijk hoe klam en koud zijn lichaam was. De kleding lag meer op zijn vlees dan dat het hem omzwachtelde. Zijn botten lagen in zijn vlees als roeispanen in een boot. Een beestje kriebelde in zijn nek.

Hij staarde naar boven naar het universum en werd er zich bewust van op de Aarde te liggen. Het was meer dan weten, het was voelen dat hij op een immens grote planeet lag die door een eindeloze ruimte bewoog. Een zware bol van rots met een omtrek van ommenabij veertigduizend kilometer die hing in het luchtledige, met daarbinnen gesmolten steen en een kern van vloeibaar ijzer. Hij voelde de afstand tussen hem en de sterren. Hij realiseerde voor het eerst in zijn leven hoe massief die fragiele lichtjes in de lucht werkelijk waren. Sommige waren wel tientallen malen groter dan de Zon, die al honderden malen groter was dan de Aarde. Zijn geest reisde door het sterrenstelsel. Hij passeerde panorama’s van planetoïden en manen.

Terug op Aarde voelde hij zich meer een deel van het geheel. Hij kreeg de behoefte om met Stefan te praten en stond op. Ze mompelden ongemakkelijk en besloten op weg naar huis te gaan. Ze waren toch niet zo ver van hun eigen buurt als eerst gedacht. Mathieu had al afscheid van Stefan genomen toen hij bij de voordeur ontdekte dat zijn sleutels weg waren. Hij wilde zijn moeder niet wakker maken dus liep hij vermoeid terug.

Hij graasde het veld af als een blinde koe. Ergens moest dat ding toch liggen. Het licht van maan en sterren was nauwelijks voldoende, dus harkte hij met beide handen door het gras. Misschien zou hij zo meer dan zijn sleutels te vinden, poep of zijn sperma bijvoorbeeld, maar hij was zo duf dat die gedachte niet lang bleef hangen. Vanuit het midden van het veld harkte hij in smalle cirkels. Iets rechtsonder van waar hij was begonnen klikten zijn vingers tegen het bevroren metaal. Pas toen gleed de spanning over het verlies met de stilste zucht mogelijk weg.

Hij bekeek naar de sleutelbos nauwkeurig omdat hem iets opviel. Eén van de sleutels lichtte op! Het was ook een volkomen nieuwe sleutel! Zo kronkelig zou deze nooit in een hem bekend slot passen. Ook de bleke rossige kleur viel op. Hij keek er heel intens naar, maar zag dat het metaal netjes een baard droeg om een deur open te maken. Mathieu kon het niet laten om van verwondering nog even naar de sterren te kijken. Zij hadden er in de eerste plaats toe geleid dat de sleutelbos uit zijn zak glipte. Even was het nog de kosmos die hij kende, maar plotseling verschoven de sterren om sporen van rood en blauw op zijn netvlies achter te laten. Ze bewogen niet kriskras. De ene groep trok naar ergens achter de halve maan, de ander verschoof precies in de tegenovergestelde richting. Mathieu verloor het bewustzijn en zakte in elkaar.

Sleutelbos
illustratie M.Ozymantra

2 opmerkingen:

  1. Beste Marcel

    De literatuur leeft! Hulde!

    groet,

    Michiel

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Hah Marcel,
    Leuk weer eens van de karakteristieke verhalen te lezen. En net is Bussum en omgeving!
    Ga vooral door!
    Groetjes,
    Szilvia

    BeantwoordenVerwijderen