donderdag 19 april 2012

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 7

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel worden verteld over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.

Er was een stilte in zijn lichaam getreden. Hij wist het niet, maar alle hormonen zochten naar energie en moesten dit uit zijn vet destilleren. Het zou nog even duren voor Alfred te eten kreeg. Hij had geen zin om op jacht te gaan. Hij was toch te zwaar voor de eigenlijke jacht. Gelukkig wist hij dit niet. Dat de ouderdom aan hem trok voelde hij hoogstens. De jeugd was met zijn testikels uitgetreden en lag al eeuwen te rotten in een vuilnisbak bij een dierenarts. Het had in zijn hoofd net zo goed gisteren kunnen zijn gebeurd. Dat acties pijn en verwondingen konden opleveren was hij zich niet bewust. Hij deed wat gedaan moest worden en er gebeurde wat er hoorde gebeuren. Gelukkig had hij nooit vlak voor een rijdende auto over hoeven steken, maar dat had hij zonder aarzeling gedaan. Als het nodig was. Alfred zat stil op een koele tegel aan de rand van de tuin. Bij het hek, in de buurt van de aasboom. Zijn ademhaling ging traag.

            Een beweging rechts van hem, een stukje verder in het gras dat vrolijk de insecten kietelde, week af van alles dat normaal was. Een diertje als een schim bewoog buiten de gewone patronen. En dat was bijzonder, want zelfs de pissebedden, zelfs de enkele vleermuis van ver over de horizon, zelfs de buldog van achter de huizen in de volgende straat die Alfred alleen maar kon ruiken, bewogen binnen de gestelde patronen. Niets anders dan mens bewoog buiten de patronen. Maar dan dit diertje en hij zag het al, het was een jonkie, een zwart-wit en constant verrast katje. De wereld was nog geheel nieuw voor hem en hij sprong plomp van rechts naar links, onbekend met zijn kracht en de gewoontes van insecten. Elk vliegje dat verschrikt opzoemde moest even nagesprongen worden. Het jonkie hapte speels, maar beet lucht.

            Alfred was onmiddellijk op zijn hoede. Jonkies moesten streng benaderd worden door vreemden zoals hij, door volwassenen van welke soort. Jonkies moesten leren hoe hard de wereld was en het liefst zo snel mogelijk. Als hij te dichtbij kwam moest Alfred hem een mep geven. Niet met de volledige klauw, maar genoeg om het beestje op zijn plek te zetten. Als het echt een brutaaltje was moest Alfred er vol opspringen. Dit wist hij, dit voelde hij en de ernst van zijn taak maakte zijn rust stram. De zonnige wereld om hem heen was scherp en koud geworden met zijn plicht mee.




50 x 65
inkt op papier
M.Ozymantra

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen