zondag 6 mei 2012

Dame van de dood

Zoveel zaken waren er te regelen, maar de afspraak met Hennie het Skelet ging ik niet missen. De aanbieding die hij me had gedaan was uniek en onwaarschijnlijk. Zulke dingen deed hij zelden voor een ander. De voorbereidingen voor de begrafenis van Mikkie moesten een nacht wachten.

Op het kruispunt ontmoetten niet enkel twee wegen, maar ook de uiteinders van de stad: verstopt in de dames van losse zeden en hun klanten. De dames paradeerden vol bravoure heen en weer, de ogen zwoel brandend als petroleumstelletjes. Hun gekleurde ondergoed en strakke jurkjes vlamden in de duisternis van de schaduwen die de roze lampen wierpen. Tussen hun volle lippen zat een sigaret die spaarzame rook losliet. De schemer liet een enkele uiteengereten wolk zien, angstig voor het kelderende zonlicht. Ze groetten me met een zwaarmoedige blik. Ze kenden me want ik was tussen hen opgegroeid. Ze kenden Mikkie ook, want die was vele jaren een gewaardeerd collega geweest. Maar misschien waren ze ook zwaarmoedig omdat er geen klant was te bekennen. Huitzilpochtli floot vrolijk naar de dames.
‘Kan je geen respect voor de doden tonen, Hutie,’ mompelde ik geërgerd.
‘De dood zit in een klein hoekje, Joost,’ antwoordde hij.
‘Alsof ik dat niet weet, stomme vogel… Stop eens met je vleugels tegen me aan te slaan!’ Hutie sprong verbouwereerd van mijn schouder af en herhaalde ‘sorry’ op een hoge toon. De ara was een jaar of tien geleden bij me komen aanvliegen en sindsdien mijn beste vriend.
‘Het geeft niet hoor, Joost,’ zei Joselita, ‘we weten dat het hem ook deert.’ Ze was al ouder, in de veertig, maar nog steeds ging ik graag bij haar langs als ik het moeilijk had. Ze verwende me dan als een perverse moeder, al vonden wij er niks pervers aan, want zo was het altijd geweest. Haar donkere huid was doortrokken van fijne groeven die ik liefdevol met de tong volgde tot ze sidderde van genot. We omarmden even en ik werd bedwelmd door haar zware parfum die deed denken aan Javaanse sigaren. Ze was niet degene waarbij ik mijn maagdelijkheid had verloren. Hutie flapte zijn blauwgele verendek wild op en neer, nog steeds ‘sorry’ snerpend. Een andere dame kwam erbij staan.
‘Hé, Joost, we hielden intens van haar, dat weet je…’ Ze omarmde me ook. Het was Estrella, de dochter van de dame die me had ontmaagd die nu in Hongkong leefde. Estrella’s jonge lichaam leek met me te willen versmelten. Ze rook naar jasmijn en koriander.
‘We misten haar elke dag sinds ze was gestopt,’ zei Joselita.

En ja, inderdaad, ik was mijn maagdelijkheid verloren bij de dames van de nacht, bij hen die ieder ander prostituee of hoer wenst te noemen. In de gewone wereld werd dit als verderfelijk gezien, voor ons was het De Eerlijke Manier. De dames kozen met wie ze wilden, als exotische beschermengelen van de lust en wij klanten wisten waar we aan begonnen. Ik betaalde er voor, maar niet met mijn ziel of met leugens. Ik betaalde met geld en kreeg er wijsheid voor terug. Alle kinderen worden in schuld geboren, uit een gezin op misleiding gebouwd. Elk mens wint de onschuld terug in de daad en ik won deze terug bij een lichtekooi. Onschuld in de daad, telkens weer. De Kleine Dood leidt tot het Grote Leven. Deze dames waren priesteressen van de Kleine Dood. Ik hield meer van hen dan van mijn familie.
 
Mikkie heette eigenlijk Mictecacihuatl, maar dat was te moeilijk, vond haar vader, die maar een gewone Peelse boer uit Wehl was. En zij was het met hem eens. Haar moeder, zijn vrouw, de lichtekooi die hij in Enschede had geschaakt en uit haar wereld had getrokken, was van Mexicaanse afkomst en had zo een stuk erfgeschiedenis in Mikkie willen behouden. Het enige wat Mikkie erfde was een serieus verlangen zich toe te leggen op verleiding & seks. De weg naar bordeel en peeskamer verliep zonder problemen. Mikkie was ervoor geschapen de ander vleselijk plezier te geven. Of het man dan wel vrouw betrof maakte haar niet uit. Alle mensen waren gelijk geschapen in de tempel van lust. Zij vertelde altijd wat de ander wilde horen. Een wereld van leugen en vleierij was haar eigen, maar ik keek er doorheen, Mikkie, ik keek er altijd doorheen. Ik zag ook dat pas wanneer Mikkie uit liefde had geneukt, ze De Waarheid sprak. Ik bleef dan aan haar voeten liggen en luisterde tot mijn oren blauw waren. Ik hield van haar als van geen ander levend wezen. Al gaf ze nog zoveel plezier aan andere mannen en vrouwen, ik wist dat ze De Waarheid alleen aan mij vertelde.

*

Iets verder weg van het kruispunt waar de dames dwaalden kwam de bloedsteeg uit op de Pillenbrug, waar al de junkies hun leven verbrandden, en waar, daar in een duistere hoek, ingesloten tussen patatkraam en dichtgetimmerde Satanskerk, Hennies Tattooshop zat. Niet veel kenden de plek, want deur en raam werden net zo vaak door een rolluik afgedekt als Hennie zin had. Nog van de oude stempel en werkte wanneer hij wilde. Blinde Harry stond met zijn blaasharmonica tegen de etalage. Hij speelde een Amsterdams deuntje van voor de Oorlog. Hoewel hij niet kon weten dat ik naderde groette hij vrolijk. Blinde Harry was getrouwd met Isa, een nichtje uit De Oude Buurt. Ze hadden twaalf kinderen en twee uitkeringen. Hij verdiende bij door het Amsterdamse levenslied in alle buurten te laten horen. Hennies deur kraakte levensecht als in een goedkope horrorfilm. Een bewegingssensor verbonden aan een chip zorgde daarvoor. Hennie hield van gadgets, maar alleen de zelfgemaakte. Soms stonk de hele shop naar soldeersel en geschroeid hout.
‘Hé, Hennie, je ziet er weer nice & shining uit!’
‘Dank je, Joost… Jij ziet er ook een stuk beter uit dan onder de omstandigheden mag worden verwacht.’ Hennie was echt ook alleen maar skelet. Zijn botten wreef hij dagelijks in met fluorescerende olie waardoor ze gloeiden in de nauwelijks verlichte shop. Hij was er zelfs toe overgegaan om in de beenderen een verhaal te graveren.
‘Wat heb je daar nou allemaal voor onzin gekrabbeld, man?’
‘Joost, jongen, het wordt tijd dat je die kop uit je reet trekt…’ Hennie lachte erbij en zijn lach was als het op kletteren van castagnetten. Niemand zou daar ooit aan kunnen wennen en ik betwijfelde of Hennie het zelf prettig vond. ‘Dit dus is in het schrift van de Maya’s, je kent ze wel. Het is een mythe over Kawak, het konijn in de maan, en hoe deze de wereld meerdere malen heeft gered door zichzelf op te offeren.
 ‘Jemig… Nou, het is me wat…’ Hennie wees naar zijn dijbeen.
‘Hier wordt bijvoorbeeld verteld hoe Kawak op zijn reis door Wakah Chan, de melkweg, tien tegenstanders versloeg om de hoorns van Itzam Ye te stelen.’ Ik knikte instemmend, maar keek eigenlijk meer naar de vrolijkheid om ons heen. Overal stonden elektrische kaarzen en holle schedels met fel rode bloemen. Samen met het ultraviolette hoerenlicht en de zwarte muren zorgde het voor een intens spektakel.
‘Man, wat is je shop vrolijk opgetuigd!’ Hennie keek om zich heen alsof dat allemaal ook nieuw voor hem was. Hij lachte zijn onplezante lach.
‘Hè, ja, vandaag is het Dag van de Dood in Mexico, je weet wel, wat ze hier Allerheiligen noemen. Dit is de nacht dat de doden eenmalig uit hun graf rijzen. Die bloemen, zempasuchil en chrysanten zijn ritueel verplicht. Het koste moeite om ze helemaal vers voor vanavond te krijgen. Die zempasuchil worden hier helemaal niet verkocht.’ Ik was er verbaasd over dat hij levende have in zijn winkeltje toeliet. Zelfs de ratten waren machientjes die hij zelf in elkaar had geknutseld. Normaal gezien waren alleen de klanten van levenslustig organisch materiaal.
‘Wat heb jij nou met dat Mexicaanse?’
‘Niets, mijn jongen, niets. De volgende keer doe ik wel weer iets met Hindoes. Ik hou gewoon van een feestje en het liefst als het met de dood heeft te maken!’

*

Hutie fladderde vrolijk rond, terwijl Hennie bezig was met mijn tatoeage. Ik lag languit op mijn buik op de ligbank. Hij duwde en trok lijnen van inkt in mijn ontblote schouder. Het schrijnde en stak. Het geluid van de naald was geruststellend als het piepen van een alert brandalarm. Hutie vroeg aan Hennie de hele tijd naar wat er op de posters en boeken stond. Zijn nieuwsgierigheid naar de mensenwereld kende geen grenzen. Alles was zo vreemd vergeleken met de papegaaienwereld. Bovendien had ik geen enkel boek in huis. Al mijn lezen deed ik van een reader. De enige poster aan mijn muur was een reproductie van een Paula Modersohn-Becker schilderij, Liggende moeder en kind.
‘En dit, The Stooges, wat is dit?’ Een poster met Iggy erop: verveeld, en agressief, klaar om iemand aan te vallen, de pinnige borst naakt onder het leren jasje, zijn haren kort en verward als een vloermop.
‘Oh, yeah, man, die komt uit 1971, een concert waar ik bij was, man, yeah. Ze waren eigenlijk uit elkaar maar… Wauw, man…’ Hennie was met tekenen gestopt. Mijn huid kon even rusten, terwijl hij dromerig voor zich uitstaarde. ‘Yeah, man…’
‘En dit, en dit?’ Hutie vloog onrustig van het één naar het ander. Het was onmogelijk zijn aandacht bij wat dan ook te houden. Hennie antwoordde afwezig, in concentratie weggedoken. De naald trilde en snerpte. Een geigerteller van inkt. Ik droomde van de oorlogen die de wereld in vuur in vlam zetten, van de dreigingen die ons land omzwachtelden met een natte handdoek. Hier in Hennies Tattooshop was het behaaglijk warm vertoeven.
‘En dit, en dit, en dit?’

Langzaam kregen Mikkies gezicht en lichaam vorm in donkerblauwe lijnen, gegroefd in bloed.
‘En dit?’ het was één van onze favoriete foto’s. Zij naakt op bed, het lichaam behaaglijk tussen de plooien van de lakens, het ene been over het andere. Je kon net niet haar schaamstreek zien, je kon net niet de rand van een tepel onderscheiden. Haar lach was geheimzinnig, alsof ze net had gedronken van de hoorn waar de melkweg in was gegoten. Haar lach omvatte mijn hemel in al zijn aspecten. Haar planeten stonden conjunct met de mijne, vormden een sextiel waar de zenit en nadir van verlangen elkaar ontmoetten. Mikkie, je woorden verwarden opzettelijk en lieten me geen moment de rust vatten, maar je hebt ons leven verrijkt, je hebt de wereld een glans gegeven die deze niet meer kende sinds de vroege dagen van de schepping. Je was onschuldig als een Eva in het gras van Eden, terwijl je de liefde bedreef met elke Adam die maar kwam aanwaaien. Al je woorden gewogen op een weegschaal hingen over naar de verfraaiing, naar de leugen, maar zo kwam je steeds dichterbij De Waarheid, bij Het Echte Leven. En ik mocht me laven aan je bron.

*

Niet dat we echt pauze hielden, Hennie ging gewoon door met lijnen krassen, maar we hadden honger gekregen en iets besteld. Hutie hapte nacho’s met gesmolten kaas weg en ik een kipburrito. Ik zat nu rechtop en voelde Hennies botten hand mij schouder recht houden. Hij at niks anders dan een blauwe gloeiende vloeistof die je zijn keel kon zien binnengaan, maar die zonder verder spoor achter te laten werd opgenomen in zijn skelet vol Maya graffiti. De burrito was verrassend heet en vulde mijn palet geheel. De zoete hitte en de zachte korrelige pannenkoek rond de soepele kipstukjes. Ik werd meegenomen naar een verleden van alleen maar actie en geen gedachte. De jeugd was een en al lol en rennen van de ene dame naar de andere, samen met je vriendjes de hoerenlopers bespieden en dan hun zakken rollen. We flikten de junkies een streek door bolletjes bruine suiker voor de helft van de prijs als heroïne te verkopen en lachten ons dood als ze de zoetigheid smolten in hun geblakerde eetlepels en high werden als kleine kinderen op chocoladerepen. Ik hapte naar adem, een stukje zat vast. Mijn keel deed pijn, er zat iets scherps in de kip. Een botje scheurde mijn strot open en blokkeerde de lucht. Ik… hapte… naar… adem… en… viel… voorover, ontsnapte Hennies hand. De vloer raakte mijn hoofd. Hard… hapte ik en gierde… naar adem. Ik klauwde naar mijn keel en naar de ligbank. Hutie schreeuwde verward fladderend:
‘Wat is er aan de hand, wat is er aan de hand!’ Mijn longen hechtten zich dicht op zoek naar… Hennie trok me omhoog en met knokige armen om me heen en een trekkende Heimlichbeweging duwde de dwarsligger eruit.
‘Godverdegodver,’ gilde ik. Hutie schreeuwde nog steeds paniekerig.
‘Jongen,’ zei Hennie, ‘je bent gezegend, zeg! Ik dacht even dat je erin zou blijven… Moet je kijken…’ Het stukje slijmerig en bebloede bot tussen zijn vingers plaatste zich als een dood teken tussen mijn ogen. ‘Heeft je moeder je nooit uitgelegd te kauwen, mi amigo?’ We lachten hysterisch. Hij klakkend en ik hevig hijgend. Hutie landde op mijn schouder en gaf een katachtig kopje.
‘Joost was bijna samen met Mikkie. Verdrietig…’ ‘Goed, genoeg plezier gehad,’ zei Hennie. ‘Laten we dit eens afmaken voor het te laat is. Een streepje mis, maar dat is makkelijk te herstellen.’

*

De bloedige tatoeage in de spiegel op mijn schouder glimlachte mysterieuzer dan ze ooit op de foto had gedaan. Hennie stond als tatoeagekunstenaar op gelijke voet met Caravaggio en Rembrandt. Hij wist hoe een sprankeling van leven aan dood canvas te ontlokken. Haar essentie was in mijn huid gegraveerd. Hij kende haar dan ook vanaf geboorte. De klok van de Oude Kerk sloeg twaalf. De galm van elke slag leek een eeuwigheid door te klinken.
‘Kijk eens aan,’ zei Hennie, ‘het is tijd voor de doden om op te staan en een maal met ons te delen.’ Met een draai van zijn handen brak hij de nek van één van zijn mechanische ratten en droop de machineolie als een offer op mijn getekende huid. Ik voelde hoe de tatoeage nog heviger begon te kloppen dan ze al deed. Ze kroop van me af in een hortende maar zekere beweging. Het had iets weg van een celdelend eitje. Ze stond daar plotseling naast me, de huid nog doorzichtig, rillend van de werkelijkheid om haar heen. Hennie reikte een lang overhemd aan dat ze over haar snel koel wordende huid heen trok. Hutie landde eerbiedig op haar schouder en schurkte zijn kopje teder tegen de wang.
‘Mikkie?’ zei hij.
‘Hutie, lieverd, ja…’ De tranen achter mijn oogleden dikten zozeer aan dat ik ze niet meer binnen kon houden.
‘Mikkie?’ Ik omarmde haar lichaam en voelde hoe mijn warmte haar vulde als gas een weerballon. Ze was zo licht en toch zo echt en rook naar sandelhout. Ik zakte langs haar lichaam op mijn knieën, de armen in gebed om haar heen. Ze kroelde door mijn haar als vanouds.
‘We hebben alleen vannacht, Joost, kom… sta op…’ We keken naar Hennie, het fluorescerende skelet. Hij leek wel in een andere wereld te bestaan. Even bleef de ruimte om ons heen stil. Behalve onze ademhaling was er niks te horen. Hij bewoog opzij en gebaarde naar de trap, naar boven.
‘Hé zeg, jullie weten de weg, kids. Doe niets dat ik ook niet zou doen!’ We konden niet zien of hij glimlachte. Eigenlijk glimlacht een skelet altijd. Misschien zit er een goede grap in de dood verborgen. Mikkie en ik lachten en liepen naar boven, naar zijn slaapruimte. Het was tijd om samen met de dood De Kleine Dood te beleven. Hutie bleef ook beneden en floot een oud oorlogsdeuntje. Hij vroeg Hennie honderduit naar de betekenis van posters en boeken. Het skelet antwoordde geduldig. Zijn glimlach werd er niet minder om


Dame van de dood
illustratie M. Ozymantra

3 opmerkingen:

  1. En ik maar denken dat het "orf" was...

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Krachtig kort verhaal Mars! Lekker meeslepend en eigenaardig; retegoed!

    BeantwoordenVerwijderen