zondag 3 juni 2012

De wonderlijke avonturen van Alfred de kat - 8

Het verhaal van Alfred de kat is niet een doorsnee vertelling waarin we allerlei menselijke gevoelens en eigenschappen aan dieren toekennen om zo iets over onszelf te zeggen. Het is een poging te kijken vanuit het perspectief van een dier dat misschien wel zo vreemd aan ons is als onze blik aan die van een buitenaards wezen. Overigens net als dat het perspectief van een kat zo vreemd is aan dat van een specifieke vogelsoort als de kraai. Als uitgangspunt neem ik wetenschappelijk onderzoek, eigen en andermans observatie. Het totale vermijden van menselijke interpretatie zal natuurlijk onmogelijk zijn. Al was het maar dat een dier niet in woorden denkt en onze woorden tegelijk ontoereikend als te betekenisvol zullen zijn. Een zekere mate van romantische interpretatie is dan ook niet te ontgaan. Niettemin staat het zo ver af van de normale knuffelverhalen dat het menigeen kan afschrikken. Natuurlijk zal ook in dit verhaal veel worden verteld over ons menselijk bestaan, maar dan door de lens van de aliens waarmee we samenleven.


Het springen van rechts naar links, van boven naar beneden bleef Alfred verstoren. Alleen de kinderen konden zo tegen het nerf van de wereld schuren. Zelfs de mens bewoog anders. Alleen jonge katjes konden de volwassene tegen zichzelf keren. Alfred bleef maar onrustig opkijken, de rug iets gebold. Een ekster kwam overvliegen. Het luide kwetteren verraste hem, terwijl dat niet hoefde. Hij wist al heel lang dat Jules over zou vliegen en zo zou kwetteren. Gelukkig maakte Lules, die volgde, hem niet nerveus.

Er was niks schattigs aan het jonkie en zijn springen. Het was de dodelijke ernst van een dier dat leerde. Hoe alles om hem heen werkte kwam op deze manier traag naar binnen. De patronen van leven en dood, van beweging en stilstand lagen allemaal netjes te wachten. Alfred werd er stil van. Het jonkie zou niet dichterbij komen. Het verdween in een struik van grote glanzende bladeren die knetterden bij het bewegen.

Alfred kon het niet laten toch te schrikken van het andere jonkie achter hem. Zich verzettend tegen de angst, de behoefte zijn gezicht te redden overheersend, verzat hij zich alleen maar. Schoorvoeten opzij als de krabben uit de mythen, zijn rug schuivend, draaide hij voorzichtig iets. Deze was zwart met een wit puntje op de rechterpoot en de staart. Een doodsteken. Hij wist dit. Dit jonkie zou vroeg sterven. Jules en Lules kwetterden luidruchtig naar elkaar, met grote vliegsprongen van tak naar tak, bladeren los schuddend. Het jonkie keek vol verbazing omhoog. De wereld was zo groot en vol verrassingen. Door de bomen schitterde de blauwe lucht en het wit van onwerkelijk luie wezens. Dat moesten echt wel de goden zijn, dacht het jonkie. Ach, was ik maar bij de goden.

Voor alle dieren waren de wolken de goden. Dat was tenslotte waar de regen en de zon vandaan kwam. Ze hoorden wel eens over vogels die zo hoog als de goden vlogen, maar dat waren ook niet de slimste dieren. Het gebrek aan zuurstof maakte dat ze hele gesprekken met de goden voerden, maar er weinig anders dan halfslachtige boodschappen van konden overbrengen. Ze hadden er geen benul van.

Alfred ontspande zich. Dit jonkie zweefde, dat was waarom deze snel dood zou gaan. De wetten van de wereld hadden geen greep op het diertje. Hij was duidelijk al één met hemel en de dood. Hij hoefde deze geen lessen meer te leren en het jonkie liep dan ook vrolijk langs Alfred om zich bij zijn zusje te voegen. Alfreds haren sprongen enigszins op bij het voorbijgaan van de jonge heilige.

Wordt vervolgd





Inkt op papier
M. Ozymantra

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen