vrijdag 27 juli 2012

Meiramgul - fragment (3)

uit de ongepubliceerde roman Meiramgul

            We hadden niks afgesproken en ik zat alleen thuis, met een live concert van The Talking Heads op DVD. Toen deze was afgelopen voelde ik me zo rusteloos, zo vol van energie dat ik besloot een wandeling in de stad te maken. Bijna dansend stapte ik door het huis. De katten waren er ook vrolijk van en haastten zich heen en weer als in een poging me te laten struikelen. Nijptang draaide zich log om een schoen, Tommy sprong op het bed en eraf, op jacht naar een ingebeelde muis. Ik pakte de omhelsde schoen waar de grijze kater aan bleef hangen, speels als een puppy. Ik kon aan zijn blik zien dat hij ook even kind was en zich de dagen herinnerde dat hij door de kamer en de straat en het dorp rende op jacht naar een vogeltje of een andere kat. Onbedorven en onaangetast. De castratie ver van zijn mandje. Bij het loslaten van de schoen verdween ook de jeugdigheid in zijn glanzende ogen. Hij ging verveeld achterover liggen. Tommy sprong nog even een paar keer op twee poten als een volleyballer voor het laatste punt en rende met grote snelheid de keuken in. Bij het remmen gleed hij uit en klapte zacht tegen de koelkast. Het was geen probleem. Dat gebeurde iedereen wel eens. Waardig liep hij naar de brokjes alsof hij nooit was uitgegleden.
            ‘Ik zag je wel, hoor…’ Maar natuurlijk had ik hem niet gezien. Niemand ziet ooit een kat uitglijden. Zo stond het in het Grote Boek der Katten en zo was het altijd. ‘Ja hoor, echt wel.’ Ik knipoogde, slingerde mijn jas om de schouders en huppelde de twee trappen af.
            Het donker van de straat. Alles dat overdag rood was aan baksteen was nu bruin als een doorgerookte long. Straatlampen waren industrieel gelig. De meeste interieurs probeerden warmte uit te stralen. Het duister in de portieken trilde van het onverwachte. Ver achter mij klonken voetstappen. Toen ik omkeek was er niemand. Een deur sloeg dicht. Ik voelde me gerustgesteld. De vrolijkheid van boven was beneden ingeruild voor een dragelijke oplettendheid. Ik hoefde nog niet als een mogelijk slachtoffer rond te kijken. Er was geen echte dreiging, maar boven in de hemel straalde een maan helder als een maniak met een toorts. Het licht ervan maakte krassen in de wolken in het zwart van de hemel. Een licht dat me de nagels in mijn handpalm deed duwen tot er bloed vrijkwam. Ergens daar, verder dan het menselijk oog kon zien, was een duistere god met de ogen van een ster die baadde in mijn bloed. Hij lachte triomfantelijk. Alles dat overdag kleur was kleurde nu somber vol geheimen. Ik stapte kwiek voort op weg naar een doel. Misschien had ik een doel. Misschien zou ik vanavond een sigaretje bietsen of zelfs een heel pakje kopen. Ik weigerde en had een straf gesprek met de verslaafde die mijn schedel ook bewoonde.
            ‘Maar het is zo leuk…’
            ‘Ja, en ook slecht en bovendien zit je er dan weer aan vast. Wat dan?’
            ‘Maar het is zo leuk…’ Flutargument. We kunnen niet altijd toegeven aan dat wat we leuk vinden. Mooie wereld zou dat zijn. Ik grinnikte. Die wereld zou verdomde veel op de onze lijken. Het was best koud, maar dat kon aan mij liggen. Sinds ik met Antheia ging was de hele wereld een stuk kouder dan voorheen. Het was haar lichaam en haar liefde. Die warmte miste ik nu.
            Als freelancer gehoorzaamde ik nauwelijks of niet aan de gewoontes van de meeste mensen. Ik hoefde zelden op tijd het bed uit en weekenden waren net zo goed voor werk als de rest van de week. Verplichtingen konden opgeschoven worden naar midden in de nacht of vroeg in de ochtend. De wereld had er geen last van dat ik in mijn eigen richting scharrelde, maar ik had er soms last van dat de wereld halsstarrig vasthield aan de eigen gewoontes. Niet meer sinds ik van school kwam was het van belang wat voor dag het was om uit te gaan. Ik keek op mijn horloge. Kijk, daarom is het nog zo druk in de stad. Het is vrijdagavond! Misschien had ik Antheia moeten vragen om iets te gaan doen, maar de gedachte was simpelweg niet gekomen en nu was het te laat, vond ik.
            Aan de andere kant van de straat klonk een klakken als van vrouwenvoeten in vrouwenschoenen. Een licht gewicht dat weinig anders zei dan kijk mij hier gaan en ik keek natuurlijk naar haar gaan. Het was de dame van verderop, de Antilliaanse die werkte bij het Surinaamse eethuis op de hoek. Een stevige kont, een spits gezicht en prachtige benen. Ik groette haar altijd vriendelijk. Zo ook nu. Vaak dacht ik eraan om haar iets te vragen, het liefst iets dat me een kans zou geven, maar het kwam er op de een of andere manier nooit van. De mannen die meestal in dat eethuis zaten en met haar poogden te flirten hielden van een heel andere soort muziek dan ik. Bovendien hadden we vast niets om met elkaar over te praten. Niets anders dan die heerlijk lange benen en dat daartussen waar ik graag in zou woelen. Ik lachte te hard en keek om of ze me had gehoord. Misschien was dit zo aangezien ze minimaal met haar hoofd naar rechts trok, alsof ze de neiging tot omkijken weerstreefde. Verderop liep een oude Marokkaan in grijs gestreepte djellaba rustig met de handen in de zak. Hij dacht waarschijnlijk aan de souks van Tanger. Hoe vreemd moest het voor hem zijn om in dit koude land zijn laatste dagen door te brengen. Bij de hoek gekomen liep ik langs de winkelstraat, waar hier en daar een rood lichtje flikkerde van een alarm. De avondwinkel glunderde oogverblindend van het tl-licht, net als de snackbar waar ik meestal ging om een broodje bal en een patat te halen. Zou ik? Ach, waarom niet. Ik wandelde dapper door naar het licht. Rechts lag het park gehuld in duisternis dat de fratsen van ranzige mannen moest verdragen. Niemand had er aan gedacht voldoende lantaarnpalen neer te zetten. Het was hoogst ongemakkelijk om er in de avond doorheen te lopen. Je werd regelmatig zogenaamd niet achtervolgd door een al te nieuwsgierig individu die de glimmering van lust nauwelijks kon verbergen. Zelfs op de fiets bleef het een affreuze doortocht.
            In de snackbar zaten twee kids. Ik kon niet anders dan ze zo te noemen: kids. Ze straalden uit dat ze bij elkaar bleven zolang ze plezier hadden. Mocht dat onverhoopt niet lukken zouden ze opbreken en een nieuwe kid zoeken. Wanneer plezier de maatstaf is van een relatie blijft er niks  te lijmen over bij het stukgaan. Het was onwezenlijk in het heldere tl-licht. Alsof ik gloeide van de radioactiviteit. Ik dacht aan de Antilliaanse. Ze stampte voort in mijn hoofd als een exotische amazone en ik wilde hier weg en hard achter haar aanrennen! Ze zou mijn redding zijn! De muren waren fel geel en de tafeltjes goedkoop verchroomd. Het meisje stond op om de patat met te halen. Haar paardenstaart trilde mee met haar stijve passen. Ze was plat als een plank en straalde het soort van professionele vrolijkheid uit zoals je bij een intercedente zag. Hij riep iets en ze lachte scherp terug. Ja, ze waren verliefd, dat zeker en daar kon ik van genieten, maar voor de rest leken me dit twee mensen die teveel naar slechte house luisterden. Ik had plotseling de behoefte zijn arm eraf te knagen en haar er anaal mee te verkrachten. Gelukkig zat er een frikadel in de muur. Ik wilde niks bestellen. Ik ging dit soort plekken alleen binnen om voedsel uit de muur te halen. Dat gaf een vreemd soort plezier. Het was een teleurstelling als bleek dat de eigenaar liever direct verkocht.
            Natuurlijk was de frikadel hap slik weg. De textuur en juist de snelheid van consumeren is wat me aantrok tot deze snack. Kroketten en kipcorns, mexicano’s en nasistaven, ze waren allemaal lekker op hun eigen manier, maar vroegen meer moeite om te eten. Het plezierige aan snacks is het gemak, hoewel de combinatie vet en krokant zeker net zo belangrijk is. Uiteindelijk gaat het maar net om wat je op dat moment wilt. Ik liep op mijn gemak de snackbar uit en zag hoe mijn schaduw in het lantaarnpaallicht verschoof van lang naar kort en achter me andersom. Ik was een groot liefhebber van interieurs van avondhuizen en kon het niet laten elk raam iets beter te bespieden dan helemaal netjes was. De rijke mensen van deze straat propten hun huisje niet zo vol als de gemiddelde proleet noch streefden ze naar het klinische dat normaal was in nieuwbouwwijken. De meeste hadden schilderijen aan de muur, maar niks waar ik me aan hoefde te vergapen. Ik nam aan dat de meeste van bevriende amateurs waren. Op het fietspad haastte een vrouw met sporttas voorbij. Ze keek strak voor zich uit alsof ze de ogen van anderen probeerde te vermijden. Een pizzakoerier passeerde haar vlakbij de stoplichten die op oranje gingen. Een auto voor mij kwam schokkend tot stilstand. Er stapte een man in pak uit die de deur opendeed voor een oude vrouw in groene zijden jurk en bontje. Drie Marokkaanse jochies hielden met elkaar de hele breedte van het voetpad in gijzeling. Pas op het laatst ging er één opzij. Ik voelde een steek van redeloze woede en had een mep willen geven. Het was altijd hetzelfde met die jochies. Er passeerde weer een verbeten vrouw op fiets. Nog één en drie anderen, een man met koffertje op zijn stuur. Ze achtervolgden haar. Het stoplicht verderop was net groen.
Ik wilde een rondje om het park doen. Misschien dat rondje afsnijden en in het park kijken. Misschien Antheia bellen. Waarom zou ik haar bellen? Ik genoot van de vrijheid van niemand om me heen, maar mijn gedachten bleven naar haar toe trekken. We hadden vrij van elkaar. Althans, ik had geen afspraak willen maken, want had tijd nodig om enkele recensies door te werken. Ik had aan geen enkel recensie gewerkt en alleen muziek geluisterd en die concertfilm gezien. Waarom had ik haar niet verteld dat ik gewoon even alleen wilde zijn? Het was moeilijk om die dingen direct te zeggen. Ze was niet als mijn Nederlandse vriendinnen. Ze had een handleiding en als ik me daar niet aan hield kregen we problemen. Het was niet alleen dat ik soms later kwam omdat ik iets anders moest doen, maar ook als ik even niks liet horen omdat ik met vrienden uitging. Ze werd niet boos, maar verdrietig, zei ze. En soms moest ze zelfs huilen, maar alleen als ik echt expliciet was. Toen ze vroeg of ik de komende zomer naar Griekenland wilde om haar ouders te zien en ik het idee alleen al gedachteloos afwees, moest ze huilen. Ik was er helemaal verward over, want ik bedoelde het niet zo. Ze wist toch ook dat ik geld wilde sparen voor een nieuwe auto? Dat had ik haar verteld. Was ze het al vergeten? Ik zei het met de dunst mogelijke stem, zo lief als een moeder bij een treurend kind. Je bent toch niet boos, liefje? Natuurlijk was ze dat niet, maar of ik met haar gevoelens rekening wilde houden. Ik had het toch al verteld, over die auto? Dat had ik inderdaad en het gaf ook niet, ze wilde niks van me verwachten, ze vond het alleen zo jammer. Maar wat vind je dan jammer, schat? Ze vroeg zich af of ik echt van haar hield. Ja, daar schrok ik van. Hoe konden we zo snel van het bijna onschuldige belanden bij de grote schuldvraag van alle tijden? Ik weet niet precies waarom ik niet onmiddellijk zei hartstochtelijk van haar te houden. Zou dat een leugen zijn geweest? En als het een leugen was geweest, waarom kon ik het niet uitspreken om haar in ieder geval een goed gevoel te geven? Ik die zo makkelijk kon liegen, wilde haar niet geruststellen met een leugen en begon om de vraag heen te dansen. Eerst een rustige wals van ‘dat weet je toch , liefje’ naar een steeds woester wordende tango die uitmondde in een heftige pogo waarbij we de koppen tegen elkaar sloegen van onbegrip. Maar de hele tijd wist ik waar het over ging en vroeg ik me af waarom ik niet een kleine leugen kon vertellen die heel wel de waarheid zou blijken. En ik wilde haar  omhelzen al maakte ze me woedend door haar twijfel aan mijn liefde en al traande ze als een beekje in de bergen, iets waar ik echt van walgde. Van de tranen, niet van het beekje.
            Er was niemand in het park. De regen van de voorgaande dagen stond hoog op het gras. Soms dacht ik dat we zo aan ons einde zouden komen. Soms dacht ik dat het grondwater zou blijven stijgen tot we allen verdronken. De laatste twee kaaskoppen vechtend om een bootje en een wijf met een boerka. Ik had in het park wel eens seks gehad. Het kostte tijd om een plek te vinden waar niemand toekeek. Overal waar we gingen liggen stond er iemand snel bij. Uiteindelijk gebeurde het op een bankje, midden in het park, met mijn rits open en haar rokje elegant over mijn knieën . Ze zat nog maar net toen iemand naast ons ging zitten. Heel onschuldig, alsof het overdag was en we de eendjes brood gingen toegooien. Om hem voor te zijn begon ik een gesprek. Geen moment dat ik een slappe kreeg. Meiramgul keek lichtelijk beschaamd de andere kant op. De ander stond op een gegeven moment op. Misschien dacht hij dat er niets gebeurde. Misschien was het echt allemaal toeval. Ik kwam rap in haar klaar. Nu was het guur en leek het herfst. Het was moeilijk om uit te maken welk seizoen overwoei. Sneeuw in de zomer zou niemand echt verrassen. Misschien lag het toch aan de opwarming van de aarde. Misschien gingen we allemaal naar de klote. Ik verlangde naar mijn warme huis. Ik verlangde naar Antheia.
            De rest van de route liep ik snel. Mijn voeten stampten als legeronderdelen op weg naar het slagveld. Het park was een ruisende nachtmerrie van bladeren en takken. Het leken wel bloemkolen in gevecht. Elk moment kon een boom ontworteld worden en achter me aan dansen. De wortels schopten het asfalt open. Ik moest denken aan de scène uit Evil Dead waarin een vrouw door vier takken bij polsen en enkels werd gespannen en de camera een vijfde tak of wortel volgde die steeds sneller op haar afkwam en zich tussen haar opengesperde benen priemde. Achter het witte licht van de lantaarnpalen waren de schaduwen te zien van gelukkige huizen. Overal werd feestgevierd terwijl ik het zo koud had. Een kou die botten pijn deed en een gebrek aan liefde waar de oude goden van zouden huilen. Dat de hemel mag openbreken om de wereld te verpletteren, schreeuwde ik van binnen, een woestheid voelend die diamant kon scheuren. Ik wilde rennen, maar durfde niet. Ik wilde de anderen niet laten weten dat het einde der tijden was gekomen en ik een oerangst voelde als de Neanderthaler voor de bliksem. Dit was me al een hele tijd niet overkomen. Hij zat op me te wachten, dat wist ik zeker. Ik renstapte naar huis om mijn doem te ontmoeten. Mijn plaaggeest wachtte aan de andere kant van onze dimensie om zich naar binnen te wurmen. De winkeletalages lieten alleen hoge prijzen zien, schulden aan de toekomst, dingen die we vergeten waren te kopen, lijken van producten die ons ooit ten goede waren gekomen. De rijke geur van bederf drong als een carnaval van zombies door de straten. Alle geluiden klonken scherp en sloegen staccato toe. Een auto vol drugsdealers passeerde. Ik rook geweerolie. Ze waren op zoek naar hun volgende slachtoffer en slepen de machetes. Met de grote schreden van verlengde rubberen benen stapte ik de hoek om naar mijn voordeur. Geen mens die mij kon volgen noch redden. Ik voelde het tegen elkaar schuren van dimensies. Het was alsof twee grafstenen kusten. De deur ging zwaar open. Het had net zo goed een bankkluis kunnen zijn. Tommie en Nijptang waren al weg. De lucht trilde onzichtbaar. Ik ging in mijn fauteuil zitten om Tikker te ontvangen. Recht voor me trilde de lucht een stukje sneller. Dat was waar elk moment zijn hand doorheen kon steken. De telefoon ging. Het was Antheia. Of ik langs wilde komen. Ik zuchtte diep. Natuurlijk, maar wat graag! De lucht in de kamer werd stil. Tikker liet niets van zich zien. Eén van de katten mauwde in de keuken om eten.


 Het park
illustratie M. Ozymantra

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen