vrijdag 14 september 2012

New Jersey seconden wegen zwaar (1)

Ik dwaalde door eindeloos rechte straten geschapen door een vrijmetselaar in achterafuurtjes in achterafkamertje tussen de pakhuizen van Williamsburg. Mijn ankers sleepten pijnlijk achter me aan, hangend in mijn lever. De druk van een leven werken voor lui die ik nooit had gezien en waar ik zoveel maling aan had dat het gal de achterkant van mijn tong schuurde. Ik was op zoek naar een land wild en weids zoals enkel solitaire wolken zich kunnen voorstellen. Ik was in de Verenigde Staten om te kijken of het leven daar prettiger zou kunnen zijn.
Ik was onzeker en instabiel en vroeg me af of er in de toekomst iemand zou zijn die de andere helft van mijn gebroken hart dichtbij haar boezem kon dragen. Ik liep over de straten met een glimlach, dat wel, want anders zou het leven ondragelijk zijn. Met een glimlach liep ik door New York.
            Men kan Manhattan zien als een omgekeerde wijnfles. In het midden is er ruimte voor het etiket genaamd Central Park. Steeds lager worden de straatjes gedwongen dichterbij te komen in de nek, waar ze de vreemde wirwar veroorzaken die zo eigen is aan Wallstreet en omgeving. Dat is waar de wolkenkrabbers als op de plattegrond van een middeleeuws stadje staan. Van boven naar beneden, van rechts naar links, heeft men in het bovenste gedeelte van de fles een mathematisch plan getrokken om het aroma van de wijn op zijn best te doen uitkomen. Avenues in de lengte, Streets in de breedte. Meestal wist ik bij verlaten van een metrostation waar ik was. Dan stapte ik met die montere Newyorkse voeten tegen de wind in, tegen de pijn in mijn rug en benen in, tegen alles in dat me zou kunnen tegenhouden. Ik wilde de stad in een korte tijd van mij te maken, zodat ik uiteindelijk kon voelen hoe het was om een Newyorkse straatsteen of gebouw te zijn. Tot nu toe was het een New York van zoet en vlees, omdat op elke hoek shaslick of gebrande pindas werd bereid. Tot nu bleek het om lompe stad die blijkbaar genoeg aan zichzelf had. Meestal was ik het die dankjewel en hebeenprettigedag tegen de winkelbediening zei. Nooit eerder was ik een restaurant uitgekeken door een ober die niet kon wachten met opruimen tot de Chicken Biryani op was. Alleen op straat verontschuldigde iedereen zich, met een rechtszaak in gedachten.
            De galeries in Chelsea die ik tot nu toe had bekeken waren allen dicht. Blijkbaar hielden ze dezelfde uren aan als in Amsterdam. Ik ging graag naar galeries. De rustige witte muren en de onverwachte kunstigheden geven me plezier. Bovendien vond ik het leuk om te zien wie nog meer kwam, speciaal op openingen, wanneer het vreemd getooide publiek binnendruppelde. Het gaf altijd dat prettige gevoel in een soort van buitenland te zijn. Nog nooit had ik een kunstwerk gekocht of gehuurd, maar telkens zocht ik naar wat mijn eerste zou zijn, of welke mijn muren zou sieren en mijn dromen mocht beïnvloeden. Helaas was het onmogelijk gebleken ergens naar binnen te kijken gezien de vreemde gewoonte van Newyorkse galeries om de ramen te blinderen. Galerie Tierköpf, van Christine Tierköpf zei de tekst op het raam, zag er net zo gesloten uit als de anderen, maar de deur stond op een kier. Ongedwongen als een dief duwde ik hem zacht open en ging de helder verlichte ruimte binnen. Na iets van drie stappen merkte de grijzende man achter de balie me op en groette vriendelijk. Een kapsel daarnaast, dat eruit zag alsof het ontploft was, liet ook een blik zien, maar die was minder ontvankelijk. Een jongeman met de air van een betrapte huisbaas keek hoog vanachter zijn grote neus naar beneden, waar ik stond, boven hem uit torenend en toch zoveel kleiner. Ik groette vriendelijk en vertelde voor de galeries te zijn gekomen, maar dat die tot mijn teleurstelling allen waren gesloten.
            ‘Vooral vervelend aangezien ik helemaal uit Europa kom en niet zoveel tijd heb om opnieuw langs te gaan.’
            ‘Tja,’ zei de oudere man in zacht Amerikaans, ‘ze zijn inderdaad gesloten, maar als je even wacht kan je mee naar een opening.’
            George was zijn naam en als een kind zo blij legde hij me uit wat George zijn hele leven al deed: het op elkaar leggen van stenen. Niet drie of vier of vele malen meer, nee, nee, twee. Twee puntige onbewerkte stukken rots van onbepaalde afkomst. Soms werd zo’n steen hem gegeven of gestuurd door een bewonderaar of vriend. George daagde de stenen uit op elkaar een evenwicht te vinden. George lachte verlegen bij het tonen van zijn kunstje. Zijn gerimpelde vel trok strak en vulde zich met bloed, zo blij was George. Gloeiend rood als watermeloenvlees. Ik kon het niet laten ook te glimlachen, maar dit meer uit een soort van schaamte voor George, die al zijn jaren in twee balancerende stenen had gelegd. Het leek me zo onbenullig, zo totaal nutteloos. Realiserend dat ook dat de charme was van kunst, voelde ik een warmte voor deze kindman die ondanks zijn jaren kon lijken op een kleine jongen. Juist dat onbenullige maakte het leven onschuldig en frivool. En ja, het zal zeker een graad van een onbekend soort ambacht vereisen om twee ruwe dingen op elkaar te laten balanceren. Het deed me denken aan hoe moeilijk het is twee mensen met elkaar in harmonie te laten zijn. Het deed me denken aan de vrouwen die me nog steeds in dromen en dagdromen vergezelden. Het was alsof hij het ene universum op het andere zette en verwachtte dat de twee vrede zouden hebben. In alle oprechtheid en bijna geheel op zijn Amerikaans zonder reserve vertelde ik George dat het werk geweldig was: Awesome! George lichtte geheel op. Door die vrolijkheid leek hij nog eens twintig jaar te verliezen.
           ‘Nog even en dan ben ik klaar en kunnen we weg.’
            ‘Kan ik ergens mee helpen?’

De binnenkant van de witte kubus was grijs in het spaarzame licht tussen de grauw geklede mensen. Ze hadden wijn in de hand, want wijn was nu eenmaal wat men op openingen dronk. De vrolijkheid was binnen zekere grenzen omdat er aanwezigen waren die er belang bij hadden een goede indruk te maken. Er waren er ook die als roekeloos gekwalificeerd konden worden. Sommigen omdat het ze gewoonweg niets kon schelen en anderen omdat ze het gevoel hadden actie en rührigkeit te moeten veroorzaken. Op het moment dat George en ik binnenkwamen wachtte iedereen. George ontmoette beneden al bekenden die hij enigszins verlegen, maar toch vrolijk, aan mij voorstelde. Ik wist niet goed wat er mee aan te moeten. Al deze mensen zaten in de kunst en ik had er enkel een halfslachtige liefde voor. George loste dit elegant op door te vermelden dat ik kunstenaar was. Blijkbaar was dit genoeg, want er werd niet verder gevraagd. De expositie ging over de samenwerking tussen Nam June Paik en John Cage, twee kunstenaars waarvan ik niets wist, of überhaupt de naam had gehoord. De meevoelende George fluisterde me in dat de twee elkaar in een soort van professioneel hobbyisme hadden ontmoet.
            Het was moeilijk uit te maken waar naar te kijken: haar borsten gevangen in een spinnenweb gemaakt door breipennen of haar giraffenogen die zoveel intelligentie uitstraalden. Ik zal het niet hebben over haar glimlach die de Titanic had kunnen redden door de ijsberg te smelten. We waren vreemden hier, dus misschien was dat een reden om naar elkaar toe te trekken. Wie weet wat hormonen met de mens doen. Ik kon het niet laten haar aan te spreken op het moment dat we beide voor een kunstwerk stonden, op het moment dat we elkaar passeerden op weg naar een ander uitzicht. Niet vaak was ik zo brutaal en niet vaak reageerden vrouwen zo toegankelijk, maar in enkele seconden hadden we een gesprek en liepen we betweterig langs de kunstwerken. Zij had tenminste nog enige geloofsbrieven in de vorm van een kunstopleiding, maar ik blufte me langs de geëtaleerde eruditie. Inderdaad was ze sexy, maar belangrijker was dat ik al snel het gevoel had haar intiemer te kennen dan die paar seconden konden rechtvaardigen. Ik probeerde contact te houden met George en diens vriendenkring, maar ze waren zo oud en weinig appetijtelijk in hun aanbidding van een tijd die sinds de millenniumwende tot het verleden was gaan behoren. Hun verhalen gingen over de vergane glorie van de moderne westerse kunst en archeologisch verantwoorde rockbands. Ze spraken niet over het voor het eerst zien van dingen met de gretigheid van een kind. Wat bij haar zo sterk was dat het me overweldigde. Speurend naar iets van waarde in de holle grijze wereld van de galerie hingen we warm aan elkanders woorden. Ik dreef steeds verder van George af en telkens leek de man er ouder uit te zien, gerimpeld als een leeggelopen ballon, aangetast door een geheimzinnige ziekte uit de honderdduizend jaar oude stad Tamaghis. Het bezwerende begin uit The Hexx van Pavement tikte een eigenaardige weg door de paden van mijn brein: Capistrano swallow, answer to your inner voice and please return / God installed that radar in your pointy little beak, so you'd return.
De performance werd aangekondigd. Vol verwachting ging men in een kring rond het midden van de ruimte staan, waar een op een guillotine lijkend sculptuur van hout en Oosters doek en een miniatuurpiano stonden. Zij ging wijn halen. Bij terugkomst ontmoette ze mijn teleurgestelde ogen. Ik ging er zelf maar op uit voor mijn wijn. Zij hield mijn zware rugzak tussen haar stevige benen. Na lang wachten kwam een magere Chinese vrouw op met een vijftal kermende miniatuurpiano’s aan een touw in haar kielzog. Ze liep door de ruimte en tussen het publiek. Het leek nogal amateuristisch, maar toen ze bij de guillotine achter de piano plaatsnam en een stuk liet horen, wat blijkbaar van John Cage was, kon ik het niet laten te klappen. Het had verrukkelijk aandoenlijk geklonken en toch zo ernstig dat ik evengoed was geraakt. En mijn gezelschap ook. Zo deelden we een vreemd gevoel, onbeschrijfelijk als de passerende wind tijdens een Bretonse avond. Ondanks de dood van de twintigste-eeuwse avant-garde bleek haar botten hand in staat uit het graf te reiken en ons hart te raken. Ze haalde twee glazen zoete witte wijn voor onze dorstige tongen. Ze had vergeten dat ze eigenlijk alleen opereerde. Toegegeven dat er een band was ontstaan. Alsof die niet vanaf het begin aanwezig was geweest!
            Hoe we van de galerie naar het restaurant kwamen zal wel een geheim blijven, voor eeuwig verborgen achter de nevel van alcohol. Ik sprak iemand aan, iemand sprak mij aan, ik zij iets tegen haar en iemand sprak tegen mij en, ach, nee, zó ging het: toen ik de galerie binnenkwam, vond een vriend van George mijn Nederlandse naam zo opmerkelijk omdat er een ander was met dezelfde naam, een Argentijnse kunstenaar. Hij móest ons absolutely aan elkaar voorstellen. Gedurende het verblijf in de galerie bleven de Argentijn en ik elkaar groeten, dit bij wijze van grap die enkel wij deelden. Toen het tijd werd de gelegenheid te ontruimen sprak ik hem aan en werd uitgenodigd om verder te gaan, naar een restaurant. De nevel van alcohol blijkt niet zo ondoordringbaar als op het eerste gezicht.

Wordt vervolgd.

 Manhattan bottleneck
illustratie M. Ozymantra

1 opmerking:

  1. Ontzèttend goed stuk. Leest zó lekker weg. Zondermeer columnwaardig in een grote krant.

    BeantwoordenVerwijderen