vrijdag 31 mei 2013

Over het ontstaan van een roman...


... over Aan traagheid ontkomen


Een boek kan ook ontstaan aan een strand. Ook schrijvers gaan naar het strand. Dat wist ik toen nog niet, dat ook schrijvers naar het strand gaan. Al was het dan een zoetwaterstrand, aan de weg naar Durgerdam, met een vriend en zijn vrouw, ook een vriend. We zaten daar, koel van het briesje, de zon een sluier die levendig schitterde en ik vroeg het, ik stelde die vraag: wat zou je doen als je nog maar een jaar te leven hebt? Ik weet niet waarom. Het was denk ik zomer 1998 en we hadden de lerarenopleiding nog niet zo lang geleden afgerond. Tot mij kwam het antwoord snel en ik wachtte ongeduldig tot ik het mocht zeggen. Als steller van open vragen hoor je nou eenmaal niet als eerste te antwoorden. Ik zou dat boek gaan schrijven. Op de terugweg viel het me te binnen. Waarom wachten voor ik dat zou doen, dat boek schrijven?

Natuurlijk ontstond dat boek niet aan het strand. Het is een mooi sprookje dat de schrijver met de voeten in het fijne zand kan zitten en dat een verhaal tot hem of haar komt. Een boek is opgebouwd uit veel van dat soort momenten. Het strand en de verbeelding. De ervaring en de idealisering. Mijn behoefte om te schrijven is pas laat ontstaan. Op een gegeven moment werden de verhalen die ik las steeds meer aangevuld met eigen verzinsels. Maar iets verzinnen maakt nog geen schrijven. Nee, de behoefte om iets aan een ander mee te delen maakte voor mij het verschil. Er waren schrijvers, ik ga hun namen nu niet noemen, die mij het gevoel gaven dat een verhaal meer is dan alleen vermaak, dat het de wereld kan veranderen. Enig ander bewijs voor de macht van verhalen had ik niet dan dat ik zelf was veranderd door wat ik las. Op een dag begreep ik het: ik wilde ook schrijver zijn.

De eerste keer dat ik deze specifieke coffeeshop binnenstapte, die ook Fatal Flowers heette, wist ik dat er een verhaal lag. Iedereen kon het zomaar oppikken, maar ik had er blijkbaar als enige oog voor. Het was niet dat ik niet eerder in coffeeshops was geweest. Jarenlang vertoefde ik in De Tweede Kamer, met mijn rugtas en schetsboek. Aantekeningen, invallen, observaties, avonturen met vage mensen in vage gesprekken. Ik was ambitieus als schilder, daar lag mijn concentratie. Maar de Fatal Flowers was anders. Er werkte iemand achter de bar die ik als vriend beschouwde, er kwamen mensen uit allerlei lagen van de bevolking. De dorpse sfeer was Utrecht, waar de eigenaars vandaan kwamen, en de Amsterdammers vormden een vreemde mix. Ik wist dat hier mijn verhaal lag. Het enige dat ik hoefde te doen was het te beleven. Dit was ergens in 1994.


 *

Misschien begint een boek met iemand die ergens binnenstapt en wordt gegrepen door de omstandigheden, maar voor er een verhaal is heeft er veel zweet gepareld. Het was de eerste keer dat ik een lang stuk proza ging schrijven. Gedichten deed ik al, een kort verhaal was er ook uitgekomen. Je zou kunnen zeggen dat ik schrijven nog moest leren. De gedachten waren er, het verhaal ook, ik kon zelfs complete woorden typen. Ik kon alleen nog niet vertellen.

Ernstig als ik dacht dat een echte schrijver zou zijn zette ik een streng schema op. Elke dag, van negen tot twaalf schrijven, daarna nakijken. Dat heb ik een maand lang volgehouden, wat op zich een mirakel was. Ik liet er iets van lezen aan verschillende mensen, ik kreeg kritiek, en begon weer opnieuw. Ik kan me niet meer herinneren hoe lang ik erover deed om de eerste versie van het boek te schrijven. Ik heb er ergens nog wel de aantekeningen van liggen. Het zou Caleidoscoop heten en in de naam lag het besloten: het zou die hele tijd die ik probeerde te verhalen van alle kanten tonen. Als een waaier van donkere beelden zou het aan de lezer moeten voorbijtrekken. Ik herschreef het en legde het weg, herschreef het weer, legde het weer weg. Verzon een nieuwe titel. En nog één.

Gedurende die jaren was het boek het enige houvast dat ik had, de enige band met mijn verleden. Ik neem aan dat menigeen zo beleefd was niet te zeggen dat ze het belachelijk en absurd vonden dat ik telkens weer en nog steeds met hetzelfde boek bezig was. De rit was ondertussen belangrijker geworden dan de aankomst. Op een gegeven moment vertelde ik er niet meer over. Als iemand vroeg wat ik in het weekend of de avond had gedaan, was het niet meer dan ‘Ach, je weet wel, het boek…’. En toen las ik dat Thomas Mann 14 jaar over De Toverberg had gedaan. Niet dat ik mij met hem vergelijk in kwaliteit, maar het was een geruststelling.

Misschien deed ik er wel lang over naar de smaak van derden, maar ik leerde zo vreselijk veel door telkens dezelfde stof door te lopen. Steeds maar weer met die hamer op het hete staal, tot het precies de vorm had die ik dacht dat het zou moeten zijn. En dat hete staal was niet het boek, maar mijn geest. Ik schreef niet alleen dat ene boek in dat ene jaar dat ik nog had te leven, maar ik schreef ook mijn schrijverzijn, degene die ik was of wilde worden. Voordat ik wist wat ik kon moest ik alles hebben geprobeerd dat ik dacht dat ik zou willen. Het begon met imitatie om vervolgens langzaam los te laten. Niet alleen waarvan ik dacht dat het zou moeten zijn, maar ook van de literaire eisen. En natuurlijk ook het los laten van het los laten. Ik leerde ook veel van hoe anderen het deden. Maar ik deed geen schrijversvakschool of een cursus. Ik moest alles leren aan de hand van observatie en nadenken. Zoals schrijvers dat vroeger deden, dacht ik.


*

Ik stuurde de verschillende versies naar uitgeverijen. Ze moeten daar wel moe van me zijn geworden. Ik schreef korte verhalen met een beetje succes. Uiteindelijk legde ik het boek weg omdat het af was. Ik lieg natuurlijk. Misschien was het wel af, maar ik legde het eigenlijk weg omdat ik er niet meer in geloofde. Het zou niks worden. Er ging tijd voorbij. Ja, plotseling had een andere schrijver succes met een laag-bij-de-gronds onderwerp. En ik dacht bij mezelf, kijk als er daar ruimte voor is, waarom dan niet voor een roman over een coffeeshop? Dus nog een keer, maar dan helemaal vanaf de grond, herschreef ik het en kwam tot een titel, degene die het nu heeft. Daar was ik in 2009 mee klaar. Iets meer dan 10 jaar later.

En toen was het grote wachten. En toen werd er hier en daar positief gereageerd. Soms zelfs serieus. En toen verloor ik plotseling mijn geduld en begon aan mijn tweede roman. En toen was er een uitgeverij en een contract en die kostte me een jaar hangen en wurgen waar niks uit kwam. En nu ben ik bij deze uitgeverij die toch eigenlijk meer een tramhalte is dan een warme plek voor een auteur. En natuurlijk raast het door mijn hoofd: had ik het niet bij een eerdere versie moeten houden? Had ik niet beter mijn tweede boek kunnen voortduwen? Had ik moeten wachten en wachten en wachten op een uitgevrij die er zelf ook meer tijd in zou willen investeren? Ook al heb ik het manuscript naar zo’n beetje iedereen gestuurd en lijkt de tijd van de eigenzinnige auteur zo’n beetje ten einde. Is dit, deze versie, van het boek wel goed? Is het goed genoeg om op de lezers los te laten?

Het is een begin, denk ik dan. Een begin start altijd ergens waar je het niet verwacht en leidt langs wegen die je nog niet eerder hebt gezien. Een debuut hoeft niet perfect te zijn. Ik hoef niet perfect te zijn. Ik wil een boek schrijven dat een lezer kan beïnvloeden, kan veranderen, maar ik weet absoluut niet of ik dat kan. Ik doe mijn best en daar zal het bij blijven. Alles dat ik kan zeggen is dat het een jaar welbesteed is geweest.

Illustraties van mijn hand, uit schetsboek en op los papier, gemaakt in de periode 1994-95

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen