vrijdag 9 augustus 2013

Foetus Interruptus


De dag dat ik in contact kwam met zijn werk zal ik niet snel vergeten. Nou ja, de dag wel, maar het album niet, en de plek ook niet. Al twijfel ik een beetje. Was het tijdens mijn Leusdense Periode, toen ik vaak tussen dat plaatsje en Huizen heen en weer reisde omdat ik daar een groep van stripvrienden had leren kennen verbonden aan het tijdschrift Furore, of was het in de Hoorn Tijd, toen ik bij twee punkers in een huis in De Waal woonde? Iemand had het album Thaw, echt vinyl, van Foetus Interruptus. Iemand zorgde er voor dat mijn mond opensloeg.
            ‘Zal ik dit ook op een cassette zetten?’ Ik zag hem moeilijk kijken. Alsof ik er niet geschikt voor was. Of hij wel wist dat ik zou weigeren zijn meest luide lp te kopiëren. Maar dan kende hij me nog niet. En dat klopte. Zowel in Leusden als in Hoorn kenden ze me niet echt. Misschien omdat ik als puber mijzelf nog niet kende.


Foetus, 1988

Met zo’n naam zal je het goed doen als slasherfilm, of misschien horrorporno. Muziek maken en zo’n naam hebben maakt het je niet makkelijk. Je verwacht niet dat er veel mensen juichend naar de platenzaak rennen voor een album van Foetus Interruptus, Scraping Foetus Off the Wheel, Foetus Inc., etc. Allen namen in gebruik van James Thirlwell, ook al stond hij in de jaren tachtig vooral bekend als Clint Ruin.

Geheel alleen had ik de bak herrie in de vorm van Sonic Youth ontdekt en als het pas in Hoorn gebeurde had ik in Leusden veel om de oren gekregen dat menigeen zou doen gruwen, zoals Einstürzende Neubauten. Foetus was hoogstens een schepje er bovenop, zoals een zwemglijbaanminnaar ook alsmaar hoger wil. Ik kon dat album nauwelijks aan, hoorde het in die tijd één keer per jaar, als het niet minder was. Zo ging het ook met mijn eerste lsd-trip. Het was gewoon te heftig en ook al wist ik dat het hier ging om een juweel bedekt in stront, mijn hoofd kon het niet aan. Ik tapete er daarentegen nooit overheen.

Maar is het werkelijk zulke vreselijke muziek als ik hier doe voorkomen en waarom zou ik er naar luisteren, laat staan een stukje over schrijven? Ik ben niet echt het type om iets leuk te vinden alleen maar omdat het “hard” is of “klereherrie” noem maar op. Neem gerust aan dat deze muziek meer met me doet dan alleen shocken. Als ik er nu op terugkijk moet ik bij het eerste luisteren gedacht hebben: dit is de top, heftiger kan niet. Maar met top bedoel ik: artistiek hoogtepunt. Zoals abstracter dan Finngegans Wake niet kan, of witter dan Robert Ryman, of vierkanter dan Mondriaan. Zo kan je dan ook mijn fascinatie zien. James Thirlwell is een artiest, een kunstenaar. Hij poseert, hij doet stemmetjes, hij maakt muziek met andere dingen dan muziekinstrumenten. Zijn nummers zijn gruwelijk intens, zijn bedoelingen vaak hoogstaand, zijn uitvoering doet aan theater denken. Het gruwelijke theater van de Grieken of Alfred Jarry. Hij is een Antonin Artaud met moderne instrumenten en mogelijkheden. Hij speelt Dada en Duchamp, smijt ons theepotten en urinoirs om de oren alsof het carnaval is. Zijn klanken komen uit ons diepste binnen, waar bloed door aderen botst, hart massief slaat, stront de endeldarm door wordt geperst. Hij speelt de middeleeuwen, het concentratiekamp, de straat verlaten door hulpverleners. Otto Dix en George Grosz vormen zijn decor, William Burroughs en Comte de Lautréamont schrijven zijn teksten. Het werk van S. Clay Wilson en Robert Crumb maakt zijn hoezen. De hele verdomde twintigste eeuw klinkt er in door met voor mij als jongere de jaren tachtig van hebzuchtige yuppen, nihilistische krakers en vereerde seriemoordenaars. Maar waar hij vooral raakte was mijn puberale angst en wanhoop dat de wereld nooit meer goed zou komen, ten onder aan atoombom en paranoia.

Mr. Thirlwell tegenwoordig

Luister ik nog naar deze muziek, nu dat onheilspellende gevoel heeft plaatsgemaakt voor een veel stabieler hoofd en een mildere leefwijze? Zeker. Om te beginnen verlies ik nooit meer dat besef van toen, van de eindigheid, van het kwetsbare, het authentieke, de duisternis, maar ook blijft juist door zijn artistieke instelling Foetus mij aanspreken. Ik begrijp de pose beter, ik snap de klanken. Hij is als die oudere broer die de wereld in is getrokken en zo nu en dan langs komt om zijn verhalen te vertellen. Juist omdat ik het contact met toen nooit echt ben kwijtgeraakt blijft hij me verbazen. Ik kijk bewonderend naar hem op, omdat hij het allemaal heeft gedaan, veel meer dan ik ooit durfde en omdat hij me met overtuiging vertelt over die gekheid. Eens in de zoveel tijd komt hij binnen, slaat op muren, klapt met botten, schopt op schedels en begint met veel aplomb zijn verhaal. Een acteur die zijn podium mist. Achteraf voelt het alsof iemand de webben van alledaagsheid uit mijn kop heeft geblazen.

En ja, hij schijnt nog steeds als Foetus op te treden. Ook al doet hij tegenwoordig bijvoorbeeld de muziek van tekenfilms.



Het meest toegankelijke nummer van genoemde LP Thaw, Prayer for my death.

links:

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen